Onderscheid nationale en regionale stroomwegen
De functie in het wegennet op een lager schaalniveau en de doorgaans lagere intensiteit op de regionale stroomweg, maken aanpassingen (versoberingen) van het ontwerp van de regionale stroomweg ten opzichte van de nationale stroomweg wenselijk. Zeker bij aanpassing van een bestaande weg tot een regionale stroomweg zal het wenselijk zijn het ruimtebeslag en de kosten, in vergelijking met die voor ombouw tot een nationale stroomweg, te beperken.
Voor regionale stroomwegen worden dan ook lagere ontwerpsnelheden, lagere trajectsnelheden en hogere congestiekansen gehanteerd:
- ontwerpsnelheid 90 km/h;
- trajectsnelheid circa 80 km/h, afhankelijk van de opbouw van het netwerk;
- congestiekans maximaal 5%.
Voor nationale stroomwegen geldt voor wegvakken de ontwerpsnelheid van 120 km/h voor de hoofdrijbaan en 120 of 90 km/h voor de parallelrijbaan. Voor verbindingswegen in knooppunten en aansluitingen geldt een ontwerpsnelheid van 90, 70 of 50 km/h. Voor regionale stroomwegen zijn ontwerpsnelheden gekozen die een sobere vormgeving van de regionale stroomweg mogelijk maken en die tevens zorgen voor een zekere uniformiteit binnen de categorie stroomwegen. Met name vanwege deze eenduidigheid geldt voor de regionale stroomwegen de ontwerpsnelheid van 90 km/h voor wegvakken en 70, 50 en eventueel 30km/h voor verbindingswegen in knooppunten en aansluitingen. In de praktijk blijkt een ontwerpsnelheid van 90 km/h zeer geschikt om het verkeer met een snelheid van 100 km/h af te wikkelen.
Gezien de ontwikkelingen van de voertuigtechniek zou het uitrusten van de regionale stroomweg met een ontwerpsnelheid van 100 km/h leiden tot overdimensionering en meer overschrijdingen van demaximumsnelheid en een groter snelheidsverschil met het vrachtverkeer.
Gezien de ontwikkelingen van de voertuigtechniek zou het uitrusten van de regionale stroomweg met een ontwerpsnelheid van 100 km/h leiden tot overdimensionering en meer overschrijdingen van demaximumsnelheid en een groter snelheidsverschil met het vrachtverkeer.
De congestiekans van 5% houdt in dat, over het hele jaar gemiddeld, per etmaal op werkdagen maximaal 5% van de voertuigen op een wegvak met filevorming te maken krijgt. Daarbij geldt wel dat per corridor de optimale congestiekans van geval tot geval moet worden bepaald. De eisen voor de afwikkelingskwaliteit dienen in redelijke verhouding te staan tot de kosten.
De lagere eisen aan de afwikkelingskwaliteit op stroomwegen kunnen ook worden vertaald naar een mogelijke aanpassing van het dwarsprofiel. Uit oogpunt van afwikkelingskwaliteit, rijcomfort (mogelijkheid tot inhalen) en trajectsnelheid is het op een regionale stroomweg niet nodig een dwarsprofiel met 2×2 rijstroken toe te passen: 2×1 rijstrook volstaat. Daarmee wijkt het normaal- dwarsprofiel van de regionale stroomweg af van dat van de nationale stroomweg.
De lagere eisen aan de afwikkelingskwaliteit op stroomwegen kunnen ook worden vertaald naar een mogelijke aanpassing van het dwarsprofiel. Uit oogpunt van afwikkelingskwaliteit, rijcomfort (mogelijkheid tot inhalen) en trajectsnelheid is het op een regionale stroomweg niet nodig een dwarsprofiel met 2×2 rijstroken toe te passen: 2×1 rijstrook volstaat. Daarmee wijkt het normaal- dwarsprofiel van de regionale stroomweg af van dat van de nationale stroomweg.
Wel kunnen er, met name in dichtbevolkte gebieden en in stedelijke omgevingen, regionale stroomwegen voorkomen waar uit oogpunt van intensiteit niet met één rijstrook per richting kan worden volstaan. Op die wegvakken kan ook meer dan één rijstrook per richting worden toegepast.
Het normaal-dwarsprofiel van de regionale stroomweg heeft 2×1 rijstrook. Uitsluitend waar dat uit oogpunt van de intensiteit noodzakelijk is, kunnen meer stroken per richting worden toegepast.
Toepassen van meer dan één rijstrook per richting betekent echter niet dat in dat geval een autosnelweg volgens de ROA-Richtlijnen wordt aangelegd. Dit onderdeel Stroomwegen voorziet in (incidentele) toepassing van 2×2-strooks regionale stroomwegen.
Een en ander leidt tot een aantal eisen aan regionale stroomwegen die in paragraaf 2.3.3 worden toegelicht.