Dwarsvlakheid
Dwarsonvlakheid kan leiden tot instabiel voertuiggedrag, plasvorming en bij hoge rijsnelheden tot aquaplaning. De dwarsvlakheid, vaak aangeduid met de term spoorvorming, wordt overwegend bepaald door de weerstand tegen permanent vervormen van de asfaltverhardingen, meestal in de bovenste twee lagen, en in mindere mate door de eigenschappen van de dieper gelegen constructielagen.
Dwarsonvlakheid wordt uitgedrukt in de spoordiepte of een afwijking gemeten ten opzichte van een rei. De CROW-wegbeheersystematiek [27, 28] schrijft voor dat de spoordiepte op het hoofdwegennet en op zwaar belaste wegen, maar ook op wegen in een verblijfsgebied, zoals winkelerven en voetpaden, beperkt moet blijven tot 18 mm. Hoofdstuk 11 gaat dieper in op de relatie tussen de omvang van de schade en te nemen onderhoudsmaatregelen. De ontwikkeling van de dwarsonvlakheid kan worden beperkt door boven in de verharding stabiele asfaltmengsels te kiezen.