Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Asfalt in de weg- en waterbouw
Deze tekst is gepubliceerd op 16-12-20

Hechting tussen bitumen en mineraal aggregaat

De samenhang in een asfaltmengsel komt tot stand door de bindende werking van het bitumen. Voor een goede samenhang is een goede hechting tussen bitumen en mineraal aggregaat een eerste vereiste. Deze hechting bestaat uit een chemisch-fysische binding, dat wil zeggen een elektrische aantrekking tussen bitumen en aggregaat op moleculair niveau en fysische effecten; een vloeistof heeft principieel de neiging een vaste stof te omhullen.
Moleculaire aantrekking
Het bitumen bestaat uit een conglomeraat van moleculen die voor een wezenlijk deel polair zijn. Ook het aggregaat heeft aan het oppervlak verschillende ladingen. Ondanks het feit dat, chemisch gezien, zowel het bitumen als het (momenteel meest toegepaste) mineraal aggregaat normaliter licht zuur is, kan er toch een chemisch-fysische binding ontstaan (zie Figuur 48).
[ link ]

Figuur 48 Chemisch-fysische hechting tussen bitumen en mineraal aggregaat

In de Verenigde Staten is, vooral in het Strategic Highway Research Program en in Superpave, veel onderzoek gedaan naar de goede combinatie van bitumen en steenslag. Sommige combinaties leveren een sterke hechting op, andere een zwakke.
Omhulling
Bitumen kan fysisch gezien als vloeistof worden beschouwd. Wanneer een druppel vloeistof op een vast oppervlak wordt gebracht, heeft de druppel de neiging zich over dat oppervlak uit te spreiden. De mate waarin dat gebeurt, hangt af van de mate waarin de vaste stof zich door de desbetreffende vloeistof laat bevochtigen, of anders gezegd, van het moment waarop een evenwicht ontstaat tussen de oppervlaktespanningen in de vloeistof en de grensvlakspanningen tussen vloeistof en vaste stof (zie Figuur 49).
[ link ]

Figuur 49 Schematische weergave oppervlaktespanning bitumen

Bij aanwezigheid van voldoende bitumen zal een korrel mineraal aggregaat altijd volledig worden omhuld. De hechting van bitumen aan het mineraal aggregaat komt in principe altijd wel tot stand, mits de oppervlaktespanning van het bitumen niet te groot is en het oppervlak van het mineraal aggregaat niet vervuild is (bijvoorbeeld met klei). Er kan echter een probleem ontstaan bij toetreding van water.
Onder inwerking van water kan het bitumen worden verdrongen van de steen, waardoor de samenhang in het asfalt verloren gaat. Oorzaak van deze verdringing is het verschil in oppervlaktespanning tussen water en bitumen. Als water terechtkomt in het contactvlak bitumen/aggregaat, wordt het krachtenevenwicht tussen de daar heersende spanningen verstoord. Omdat water een veel hogere oppervlaktespanning heeft dan bitumen, ontstaat een verdringingskracht tegen het bitumen; na verloop van tijd wrikt deze het bitumen los van het mineraal aggregaat (zie Figuur 50). Er is dan sprake van stripping.
[ link ]

Figuur 50 Schematische weergave van stripping

Stripping
Stripping kan op de volgende manieren worden tegengegaan:
  • Ervoor zorgen dat water niet, dan wel zeer moeilijk in het contactvlak bitumen/aggregaat kan komen. Dit betekent dat bij de asfaltproductie moet worden toegezien op goed gedroogd mineraal aggregaat met een goede omhulling van bitumen. De bitumenhuid moet zo dik mogelijk zijn en de toegankelijke holle ruimte in het mengsel moet zo laag mogelijk zijn. Uit andere overwegingen is de keuzevrijheid uiteraard beperkt. Door dampdiffusie zal na verloop van tijd altijd water kunnen doordringen tot het contactvlak tussen bitumen en mineraal aggregaat.
  • Toepassing van een goed hechtend mineraal aggregaat. Volgens de Standaard RAW Bepalingen zijn de hechtingseigenschappen van de mineraal aggregaten voor de gangbare asfaltmengsels ruim voldoende, behalve in het geval van ZOAB. Dit is de reden waarom in de Standaard RAW Bepalingen geëist wordt dat in ZOAB een middelsoort vulstof met calciumhydroxide moet worden toegepast. Voor waterbouwasfalt wordt om deze reden kalksteen gekozen.
  • Toepassing van mineraal aggregaat met een ruwe microtextuur. Bij een ruw oppervlak is de grip van het bitumen op het aggregaat groter dan bij een glad oppervlak, zodat meer weerstand kan worden geboden tegen de verdringingskrachten (zie Figuur 51). Het omhullen van ruw mineraal aggregaat is wel moeilijker, omdat in de ‘dalen’ van de textuur gemakkelijk kleine holtes overblijven. Deze vormen een potentiële aanzet tot onthechting.
  • Toepassing van een bitumen (en dus ook mortel) met een zo hoog mogelijke viscositeit. Ook hierdoor kan een zo hoog mogelijke weerstand tegen de verdringingskracht worden geleverd. Een hard, bros bitumen zal eerder haarscheurtjes vertonen, waardoor de toegankelijkheid voor water wordt vergroot. Het positieve effect van harder bitumen loopt hierdoor terug.
  • Toepassing van een hechtverbeteraar. Hechtverbeteraars zijn polaire materialen die een verbinding vormen tussen ionen in het bitumen en het mineraal aggregaat met eenzelfde lading, Hechtverbeteraars zijn onder andere aminen, polymeren en calciumhydroxide. Aminen helpen bij de asfaltproductie ook een goede omhulling tot stand te brengen. De hechtverbeterende functie gaat echter op termijn verloren door inwerking van water. Polymeren en calciumhydroxide zijn het meest effectief als het mineraal aggregaat hiermee wordt vóóromhuld, dat wil zeggen al voordat het bitumen wordt toegevoegd. In de praktijk wordt dat wel gedaan door het mineraal te besproeien met een polymeeremulsie of vóór te mengen met een calciumhydroxideslurry. Actief toepassen van ‘eigen stof’ in een open asfaltmengsel moet tot een minimum beperkt worden. Enkel productiestof uit de menger is toelaatbaar.
[ link ]

Figuur 51 Effect van ruw oppervlak op hechting bitumen

De genoemde ingrepen kunnen grotendeels ook in combinatie met elkaar worden ingezet.
Gezien het strippingsgedrag van de in Nederland gebruikelijke asfaltmengsels en mineralen is toepassing van hechtverbeteraars niet nodig, behalve bij ZOAB. Het is gebruikelijk in dit mengsel calciumhydroxide Ca(OH)2 toe te passen. Toevoeging vindt plaats via de vulstof. Als gevolg hiervan zal een deel van het calciumhydroxide niet optimaal effectief zijn. Hoewel vastgesteld is dat de toepassing van calciumhydroxide in ZOAB effectief is, is stripping een van de factoren die rafeling in ZOAB veroorzaakt. Rafeling in ZOAB wordt mede veroorzaakt doordat de mastiek in de loop der tijd verhardt waardoor het ZOAB te bros wordt. Dit leidt in de wintermaanden tot falen van de hechting tussen bitumen en steen met steenverlies uit het wegoppervlak tot gevolg. Via de Lifetime Optimisation Tool (LOT) worden verbeteringsmogelijkheden onderzocht om het rafelingsgedrag van ZOAB beter te kunnen begrijpen (zie 4.7).
Treksterkte
De hechting tussen bitumen en mineraal aggregaat kan worden bepaald door het meten van de treksterkte. Uit onderzoek [37] is gebleken dat de treksterkte van asfalt vooral wordt bepaald door de weerstand tegen breuk van het bitumen. Figuur 52 toont de relatie tussen de stijfheidsmodulus van bitumen en de genormaliseerde treksterkte van asfalt. Met genormaliseerd wordt bedoeld de verhouding van treksterkte en maximumtreksterkte voor het bewuste mengsel. Uit de praktijk blijkt dat vrijwel alle asfaltmengsels hun grootste treksterkte hebben bij een bitumenstijfheid tussen 40 en 50 MPa. De vorm van de curve is eveneens van toepassing op veel mengsels.
[ link ]

Figuur 52 Relatie tussen bitumenstijfheid en treksterkte van asfalt