2 Opstellen boorplan
Uitvoerder van protocol 2
De wegbeheerder (actor met verantwoordelijkheid) kan de uitvoerder (actor met taak) van dit protocol zijn, echter hij kan besluiten de uitvoering van dit protocol contractueel op te dragen aan derden (aannemer of adviesbureau).
In de tekst is voor de actor met taak de term uitvoerder gebruikt.
In de tekst is voor de actor met taak de term uitvoerder gebruikt.
Onderwerp en toepassingsgebied
In dit protocol is uitgewerkt hoe een boorplan moet worden opgesteld.
Voor het boorplan worden op basis van de rapportage van de resultaten van protocol 1 onderzoeksvakken gedefinieerd en wordt beoordeeld of het nodig is om een lichte of een zware onderzoeksinspanning te plegen. Het aantal en de locatie van de benodigde asfaltboringen wordt aan de hand van dit protocol bepaald.
Voor het boorplan worden op basis van de rapportage van de resultaten van protocol 1 onderzoeksvakken gedefinieerd en wordt beoordeeld of het nodig is om een lichte of een zware onderzoeksinspanning te plegen. Het aantal en de locatie van de benodigde asfaltboringen wordt aan de hand van dit protocol bepaald.
In de rapportage van de resultaten van protocol 1 is aangegeven welke gedeelten van de asfaltverharding onderzocht moeten worden. Van deze weggedeelten zijn gegevens verzameld, zoals de aanlegdatum en of sprake is van bijzondere weggedeelten.
Als de rapportage van de resultaten van protocol 1 geen of onvoldoende gegevens bevat, moet de uitvoerder van protocol 2 ervan uitgaan dat de gehele asfaltconstructie teerverdacht (mogelijk teerhoudend) is en moet hij zelf alsnog een inspectie overeenkomstig het bepaalde in protocol 1 uitvoeren om het werk te kunnen indelen in onderzoeksvakken en te kunnen vaststellen op welke wijze veilig gewerkt kan worden.
Het resultaat van dit protocol is een boorplan. In het boorplan staan de locaties en de dieptes van de uit te voeren boringen aangegeven.
[ link ]
Figuur 3. Schematische weergave werkproces opstellen boorplan
Advies
De opdrachtgever voor het opstellen van het boorplan wordt geadviseerd in het boorplan op te laten nemen dat op de boorlocaties over de volledige dikte van de asfaltconstructie een kern moet worden geboord.
Vervolgens wordt de opdrachtgever voor het boorkernonderzoek geadviseerd van elke laag in een kern de dikte en het soort asfalt te laten bepalen en op deze kern het PAK-detectieonderzoek te laten uitvoeren.
Dit kan leiden tot een beperking van het vervolgonderzoek.
Vervolgens wordt de opdrachtgever voor het boorkernonderzoek geadviseerd van elke laag in een kern de dikte en het soort asfalt te laten bepalen en op deze kern het PAK-detectieonderzoek te laten uitvoeren.
Dit kan leiden tot een beperking van het vervolgonderzoek.
Werkproces 2
| P.2.1 | Deel de onderzoeksvakken in |
| P.2.1.1 | Deel op grond van de aangeleverde gegevens, of als de opdrachtgever onvoldoende gegevens beschikbaar heeft gesteld: aan de hand van een eigen inspectie, het te onderzoeken werk op in onderzoeksvakken. De volgende weggedeelten moeten als aparte onderzoeksvakken worden beschouwd:
|
| P.2.1.2 | Maak een tekening of lijst van alle onderzoeksvakken met een duidelijke koppeling naar de locatie in het werk. |
| P.2.1.3 | Bepaal de oppervlakte van alle onderzoeksvakken. |
| P.2.1.4 | Bepaal per onderzoeksvak tot welke diepte de oude verharding onderzocht moet worden. |
De historische en administratieve gegevens die bij protocol 1 moeten worden verzameld, zijn niet altijd beschikbaar. In het geval de uitvoerder onvoldoende gegevens heeft ontvangen, moet hij zelf een inspectie uitvoeren en ervan uitgaan dat de gehele constructie teerverdacht (mogelijk teerhoudend) is. Deze inspectie is noodzakelijk om onderzoeksvakken en bijzondere weggedeelten te kunnen onderscheiden en om de juiste veiligheidsmaatregelen te kunnen treffen.
Bijzondere weggedeelten hebben een verhoogd risico op de aanwezigheid van teer. Deze moeten als apart vak worden onderzocht. Bijzondere weggedeelten zijn gedefinieerd in bijlage 1. Het is mogelijk dat meerdere bijzondere weggedeelten die niet aaneengesloten liggen (bijvoorbeeld een serie bushaltes of parkeervakken), toch als één onderzoeksvak worden aangemerkt. Weggedeelten waar al het vrijkomend asfalt is aangelegd na 1994 kunnen als één homogeen wegvak worden beschouwd. Hierin worden geen bijzondere weggedeelten onderscheiden, omdat bij weggedeelten aangelegd na 1994 geen verhoogd risico op de aanwezigheid van teer bestaat.
Omdat bij verschillende weggedeelten de constructieopbouw (en daarmee de hergebruiksmogelijkheden) verschillend kan zijn, wordt aangeraden om ook bij werken die zijn aangelegd na 1994 bij het boren van kernen rekening te houden met verschillende weggedeelten.
Sommige wegbeheerders stellen aanvullende eisen aan de uitvoering van verhardingsonderzoek.
| P.2.2 | Bepaal de vakken waarvoor onderzoek niet rendabel is |
| P.2.2.1 | Markeer kleine bijzondere weggedeelten (opstelvakken voor kruispunten, bushaltes, parkeerplaatsen, reparatievakken, uitbreidingsvakken, vluchtstroken) die zijn aangelegd voor 1995 en een oppervlakte van minder dan 50 m 2 hebben. |
| P.2.2.2 | Bepaal bij deze onderzoeksvakken of wel of niet voor een boorkernonderzoek wordt gekozen. |
Uit kleine bijzondere weggedeelten komt vaak weinig asfalt vrij. Als de hoeveelheid vrijkomend asfalt uit een dergelijk vak kleiner dan ongeveer 25 ton is, zal verwijderen en afvoeren als teerhoudend asfalt minder kosten dan het onderzoeken van het asfalt en het vervolgens verwijderen en afvoeren als teervrij asfalt. Maak voor kleine bijzondere weggedeelten een apart boorplan.
| P.2.3 | Bepaal het aantal boringen per onderzoeksvak |
| P.2.3.1 | Bepaal aan de hand van tabel 1 het minimum aantal boringen per onderzoeksvak. |
| P.2.3.2 | Geef in de lijst met onderzoeksvakken het benodigde aantal boringen aan. |
Tabel 1. Minimum aantal boringen per onderzoeksvak
| Situatie | Minimum aantal boringen per onderzoeksvak |
| Asfalt dat geheel of gedeeltelijk voor 1995 is aangelegd (meerdere onderzoeksvakken per werk) | |
| Onderzoeksvak < 100 m 2 | 1 |
| Onderzoeksvak < 500 m 2 | 2 |
| Onderzoeksvak ≥ 500 m 2 | 1 per (gedeelte van) elke 500 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak |
| Onderzoeksvak autosnelwegen of grote homogene asfaltoppervlakken (≥ 10.000 m 2 ) | 1 per (gedeelte van) elke 1.000 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak |
| Zeer groot homogeen onderzoeksvak: wegenbouwasfalt (≥ 100.000 m 2 ) | 1 per (gedeelte van) elke 10.000 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak, met een minimum van 11 boringen |
| Zeer groot homogeen onderzoeksvak: waterbouwasfalt (≥ 10.000 m 2 ) | 1 per (gedeelte van) elke 10.000 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak, met een minimum van 5 boringen |
| Asfalt dat volledig na 1994 is aangelegd (het werk wordt beschouwd als één onderzoeksvak) | |
| Onderzoeksvak < 1.000 m 2 | 2 |
| Onderzoeksvak ≥ 1.000 m 2 | 1 per (gedeelte van) elke 1.000 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak |
| Zeer groot onderzoeksvak: wegenbouwasfalt (≥ 100.000 m 2 ) | 1 per (gedeelte van) elke 10.000 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak, met een minimum van 11 boringen |
| Zeer groot onderzoeksvak: waterbouwasfalt (≥ 10.000 m 2 ) | 1 per (gedeelte van) elke 10.000 m 2 + 1 extra per onderzoeksvak, met een minimum van 5 boringen |
Het risico op de aanwezigheid van teerhoudend asfalt bij verhardingen die zijn aangelegd voor 1995 is groter dan bij constructies die zijn aangelegd na 1994. Deze risico’s zijn verdisconteerd in tabel 1.
Het in tabel 1 opgenomen aantal boringen is het minimum aantal kernen dat per oppervlakte per onderzoeksvak moet worden geboord.
Bij inhomogene constructies en wanneer sprake is van veel verschillende (kleine) onderzoeksvakken moet het aantal te boren kernen worden vergroot, met name bij de overgangen tussen verschillende vakken. Daarmee kan de hoeveelheid asfalt die als teerhoudend asfalt moet worden afgevoerd worden verkleind.
Bij asfaltconstructies die geheel of gedeeltelijk zijn aangelegd voor 1995 worden bijzondere gedeelten als aparte vakken beschouwd én is de boorintensiteit ten minste tweemaal zo hoog als bij constructies die zijn aangelegd na 1994 (behalve bij autosnelwegen, grote asfaltoppervlakken zoals parkeerplaatsen en zeer grote homogene onderzoeksvakken).
Bij deze oudere constructies moeten altijd 2 kernen worden geboord per onderzoeksvak van 500 m2 + 1 extra. Bij een onderzoeksvak van bijvoorbeeld 700 m2 moeten dus 3 kernen worden geboord. Alleen bij zeer kleine vakken (< 100 m2) kan volstaan worden met het boren van 1 kern.
Bij deze oudere constructies moeten altijd 2 kernen worden geboord per onderzoeksvak van 500 m2 + 1 extra. Bij een onderzoeksvak van bijvoorbeeld 700 m2 moeten dus 3 kernen worden geboord. Alleen bij zeer kleine vakken (< 100 m2) kan volstaan worden met het boren van 1 kern.
Asfalt aangelegd voor 1995:
Bij asfaltconstructies waar al het vrijkomend materiaal is aangelegd voor 1995 wordt het minimum aantal benodigde boringen per oppervlakte minder bij grote en zeer grote homogene onderzoeksvakken.
Als uit de geboorde kernen blijkt dat niet sprake is van één homogeen onderzoeksvak, moet het vak gesplitst worden in kleinere onderzoeksvakken en het aantal te boren kernen worden verhoogd overeenkomstig tabel 1. In het boorplan moet zijn uitgewerkt hoe de uitvoerder van het boorwerk in deze gevallen dient te handelen.
Bij asfaltconstructies waar al het vrijkomend materiaal is aangelegd voor 1995 wordt het minimum aantal benodigde boringen per oppervlakte minder bij grote en zeer grote homogene onderzoeksvakken.
Als uit de geboorde kernen blijkt dat niet sprake is van één homogeen onderzoeksvak, moet het vak gesplitst worden in kleinere onderzoeksvakken en het aantal te boren kernen worden verhoogd overeenkomstig tabel 1. In het boorplan moet zijn uitgewerkt hoe de uitvoerder van het boorwerk in deze gevallen dient te handelen.
Asfalt aangelegd na 1994:
Bij asfaltconstructies waar al het vrijkomend asfalt is aangelegd na 1994 moet altijd 1 kern per 1.000 m2 + 1 kern extra per onderzoeksvak worden geboord. Bij een werk van bijvoorbeeld 3.700 m2 moeten dus 5 kernen worden geboord. Onderzoeksvakken die zijn aangelegd na 1994 worden beschouwd als één homogeen onderzoeksvak. De geboorde kernen hoeven niet beoordeeld te worden op homogeniteit. Alleen de totale oppervlakte van het werk is bij deze asfaltconstructies die zijn aangelegd na 1994 bepalend voor de boorintensiteit.
Bij asfaltconstructies waar al het vrijkomend asfalt is aangelegd na 1994 moet altijd 1 kern per 1.000 m2 + 1 kern extra per onderzoeksvak worden geboord. Bij een werk van bijvoorbeeld 3.700 m2 moeten dus 5 kernen worden geboord. Onderzoeksvakken die zijn aangelegd na 1994 worden beschouwd als één homogeen onderzoeksvak. De geboorde kernen hoeven niet beoordeeld te worden op homogeniteit. Alleen de totale oppervlakte van het werk is bij deze asfaltconstructies die zijn aangelegd na 1994 bepalend voor de boorintensiteit.
| P.2.4 | Bepaal de locaties van de boorpunten |
| P.2.4.1 | Geef op de tekening of in de lijst met onderzoeksvakken aan waar in het vak de kernen moeten worden geboord (positie in lengte/breedte). Geef op de tekening de codering van de kernen aan. Houd rekening met een unieke en eenvoudige codering en voorkom vergissingen. Als het onderzoeksvak een rijstrook betreft, moet de helft van de kernen in de rijsporen worden geboord en de andere helft tussen of buiten de rijsporen. |
[ link ]
Foto 4. Locatie
Toelichting:
Boringen moeten gelijkmatig worden verdeeld binnen elk vak en over de gehele breedte van de weg. In de lengterichting wordt daarmee de afstand tussen twee boringen geminimaliseerd. Bij onderzoeksvakken die rijstroken betreffen moet de helft van de kernen in het rijspoor worden geboord en de helft erbuiten, waarbij de kernen afwisselend in het rijspoor en buiten het rijspoor worden geboord, zodat inzicht wordt verkregen in de mate van spoorvorming/verzakking en eventuele reparaties in het spoor.
Boringen moeten gelijkmatig worden verdeeld binnen elk vak en over de gehele breedte van de weg. In de lengterichting wordt daarmee de afstand tussen twee boringen geminimaliseerd. Bij onderzoeksvakken die rijstroken betreffen moet de helft van de kernen in het rijspoor worden geboord en de helft erbuiten, waarbij de kernen afwisselend in het rijspoor en buiten het rijspoor worden geboord, zodat inzicht wordt verkregen in de mate van spoorvorming/verzakking en eventuele reparaties in het spoor.
Bij voorkeur wordt niet in reparatievakken geboord, behalve wanneer dit reparatievak een aanzienlijk oppervlak betreft. Reparatievakken zijn van recenter datum dan de rest van de constructie en daarmee minder teerverdacht. In protocol 1 moet zijn vastgesteld of reparatievakken voor 1995 of na 1994 zijn aangelegd. Als reparatievakken na 1994 zijn aangelegd hoeven ze niet apart te worden onderzocht.
Kernen aan de uiteinden van aaneensluitende langgerekte vakken kunnen het best dicht bij de vermoedelijke overgang worden geboord. Ook kan ervoor gekozen worden om bij vermoedelijke overgangen extra kernen te boren. Op die manier kan de grootte van het gedeelte tussen twee verschillende vakken zo klein mogelijk gehouden worden. Als één van de twee aaneensluitende vakken een teerhoudende laag bevat, moet het tussenliggende gedeelte namelijk ook als teerhoudend worden beschouwd.
Speciale aandacht is daarbij gevraagd voor het kiezen van boorpunten nabij opstelstroken bij verkeersregelinstallaties, portalen op autosnelwegen, enzovoort, vanwege de mogelijke kabels en leidingen (detectielussen) in de verhardingsconstructie.
Aangezien de horizontale ligging van kabels en leidingen kan afwijken van de opgegeven ligging is het aan te raden een boorlocatie altijd op ruime afstand van de opgegeven ligging van de kabels en leidingen te kiezen!
Kernen aan de uiteinden van aaneensluitende langgerekte vakken kunnen het best dicht bij de vermoedelijke overgang worden geboord. Ook kan ervoor gekozen worden om bij vermoedelijke overgangen extra kernen te boren. Op die manier kan de grootte van het gedeelte tussen twee verschillende vakken zo klein mogelijk gehouden worden. Als één van de twee aaneensluitende vakken een teerhoudende laag bevat, moet het tussenliggende gedeelte namelijk ook als teerhoudend worden beschouwd.
Speciale aandacht is daarbij gevraagd voor het kiezen van boorpunten nabij opstelstroken bij verkeersregelinstallaties, portalen op autosnelwegen, enzovoort, vanwege de mogelijke kabels en leidingen (detectielussen) in de verhardingsconstructie.
Aangezien de horizontale ligging van kabels en leidingen kan afwijken van de opgegeven ligging is het aan te raden een boorlocatie altijd op ruime afstand van de opgegeven ligging van de kabels en leidingen te kiezen!