Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

CROW-CUR Richtlijn 3:2023 Voorkomen van schade aan in de grond gevormde palen
Deze tekst is gepubliceerd op 10-12-22

Benodigde informatie

De informatie die vanuit de initiatieffase is overgedragen (paragraaf 4.3.7) is het startpunt. Het doel van de initiatiefnemer dient duidelijk te zijn: wat wordt gebouwd, aan welke eisen dient dit te voldoen, hoe wordt het gebruikt, et cetera.
Informatie over de ondergrond is vanzelfsprekend van groot belang. Het Bouwbesluit schrijft normen voor waarin is aangegeven aan welke minimale eisen ondergrondinformatie en geotechnisch grondonderzoek moeten voldoen. Een belangrijke norm hierbij is NEN 9997-1. Publicaties die hierbij nadere handvatten geven zijn onder andere Handboek Funderingen, CROW [] en Richtlijn risicogestuurd grondonderzoek, CUR 247, 2013 [].
Naast het uitvoeren van geotechnisch onderzoek is het van belang om kennis te hebben van:
  • de lithologie;
  • de geologie en ontstaansgeschiedenis van grondlagen;
  • de geohydrologie;
  • de historie en milieukundige situatie van de projectlocatie;
  • de constructie van het gebouw (belastingen, vervormingseisen, geometrie, randvoorwaarden bouwfasering, et cetera);
  • de huidige (ondergrondse) infrastructuur en bebouwing op de projectlocatie en in de directe omgeving van de projectlocatie alsmede randvoorwaarden die hier mogelijk aan verbonden zijn.
Voorbeelden van openbare informatiebronnen zijn te vinden in bijlage 2.
Specifieke informatie aandachtspunten en aanbevelingen voor in de grond gevormde funderingspalen zijn verder:
  • Historisch overzicht van de locatie (oude waterlopen, oude funderingen, saneringswerkzaamheden, rioolwerken, afdichtingen van vervuilde grond, et cetera).
  • Eventuele aanwezigheid van natuurlijke grondwaterstroming. Dit kan seizoenafhankelijk zijn, of gerelateerd aan periodes van intensieve neerslag, hoogwaterperiodes, getijden, et cetera.
  • Sonderingen met kleefmeting ten behoeve van het classificeren van grondlagen en het inschatten van de sterkte van (cohesieve) grondlagen.
  • Sonderingen met kleefmeting en waterspanningsmeting ten behoeve van het inschatten van stijghoogten en de aanwezigheid van waterremmende grondlagen of -lenzen.
  • Grondboringen met classificatie van grondlagen/insluitingen.
  • Freatische grondwaterstand en stijghoogtes (bij voorkeur langdurige meetreeksen in peilbuizen).
  • Doorlatendheidsgegevens van ziltige grondlagen (in-situ/korrelverdelingen/…).
  • Bodemkundig onderzoek in relatie tot duurzaamheid van de palen.
  • Eventuele aanwezigheid van schelpenlagen, grove zand- en grindlagen of ‘sterke’ lagen op slappere lagen (inschatting van de sterkte eigenschappen van de ondergrond).
  • Eventuele aanwezigheid van onnatuurlijke grondwaterstroming. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij bronnering op de projectlocatie of in de nabijheid.
  • Ervaring van vorige lokale projecten met paalfunderingen.
  • Ervaring van een paalleverancier die in de nabijheid palen heeft gemaakt.
  • Ervaring van een geotechnisch adviseur die betrokken was bij een nabijgelegen project.
  • Aanwezigheid van warmtebronnen.
  • Palenplan, palenrouting, constructieve paalcapaciteit.