|
| Omschrijving | Een kleinschalig oppervlaktewater. |
| Situatie (aanleiding) | Verlies of aantasting van voortplantingswater van algemene amfibiesoorten of ter versterking of uitbreiding van leefgebied. |
| Doel(en) en functie(s) | Het bieden van leefgebied voor algemene amfibiesoorten ter behoud, bescherming en of versterking. |
|
| Schadelijke effecten die worden voorkomen of verminderd | - Directe sterfte
- Oppervlakteverlies
- Verandering overstromingsfrequentie
- Verdroging
- Verlies vaste verblijfplaats
- Versnippering
|
| Soortgroep | |
| Soortgroep specifiek | Gewone pad, groene kikker, bruine kikker, kleine watersalamander |
| Locatie/object | - Terrein
- Overgang kunstwerk en terrein
- Oppervlaktewater
- Overgang water en terrein
|
| Permanent/tijdelijk | Permanent |
|
| Functie-eis | - De poel dient te voldoen aan de ecologische basisfunctionaliteit (zie Checklist algemene ecologische maatregelen).
- De poel dient te voorzien in de beoogde functie van het leefgebied, zoals voortplantingswater, voor algemene amfibieën.
|
| Objecteis (algemeen) | - De poel dient voor ten minste 3/4-deel, waaronder in ieder geval de noordzijde, voorzien te zijn van taluds met een flauwe helling van ten minste 1:5.
- De poel dient te zijn voorzien van een gevarieerde water- en oevervegetatie als schuil- en eiafzetplaats.
- De poel dient een wateroppervlak te hebben dat niet meer dan 2/3-deel bedekt is met vegetatie.
- Een poel met een bodem- en waterhoogte hoger dan de grondwaterstand dient een bodem te hebben die voldoende waterondoorlatend is om zeer frequente droogval te voorkomen.
|
| Aspecteis (algemeen) | - Onderhoud aan de poel dient mogelijk te zijn.
- Inspectie van de poel dient mogelijk te zijn.
- De vegetatie op de oevers of taluds van de poel dient aan te sluiten op de vegetatie in de directe omgeving.
- Water dient tijdens het voorjaar in de poel aanwezig te zijn in verband met de mogelijkheid voor voortplanting.
- Droogvallen van de poel dient periodiek te gebeuren om de vestiging van vissen te voorkomen.
- Ophoping van bladeren in de poel, waarbij meer dan 75% van de bodem bedekt is, dient voorkomen te worden.
- Verlanding van de poel dient te worden voorkomen.
- De functie-eisen dienen jaarrond gegarandeerd te zijn.
- Geschikt habitat voor amfibieën dient nabij de poel aanwezig te zijn, zoals winter- en zomerhabitat bestaande uit vergraafbare, humusrijke grond die niet overstroomt, bladhopen, stobben, takkenbossen, dichte ondergroei, ruigte of een strooisellaag en bij voorkeur een combinatie van voorgaande voorbeelden.
|
| Proceseis (algemeen) | - Aanleg van de poel dient ten minste enkele jaren voorafgaand aan het beoogde moment van ingebruikname te gebeuren in verband met de benodigde tijd om ecologisch te kunnen functioneren. Fase=R
- Beheer van vegetatie in en rondom de poel dient te gebeuren om verlanding te voorkomen. Fase=E
- Bij maaien van water- en oevervegetatie dient voor andere soorten – waaronder voedsel voor amfibieën – een gefaseerd maaibeleid te worden toegepast. Zie ook Checklist algemene ecologische maatregelen. Fase=G
- Baggeren van poelen dient gefaseerd – met een tussenliggende periode van ten minste één jaar – te worden uitgevoerd zodat een deel van de poel intact blijft. Fase=G
- Om zonlichttoetreding te borgen dient de eventuele beschaduwing in toom gehouden te worden door omliggende hoogopgaande vegetatie gericht te snoeien en of te kappen. Fase=G
- Bij maaien van water- en oevervegetatie dienen afgemaaide planten en -resten uit het water en van de kant verwijderd te worden. Fase=G
- Onderhoud binnen clusters van poelen dient gefaseerd uitgevoerd te worden. Fase=G
- Het beheer van de poel en omgeving dient te worden afgestemd met een ter zake kundig ecoloog. Fase=G.
|
| Raakvlakeis (algemeen) | - De omgeving van de poel dient te voldoen aan de ecologische basisfunctionaliteit (zie Checklist algemene ecologische maatregelen).
- De situering van de poel dient zo goed mogelijk ingepast te worden in het landschap en daarbij afgestemd te worden op reeds aanwezige landschapselementen als andere poelen, opgaande vegetatie, enzovoort
|
|
| Objectspecificatie (good practice) | - Een poel kan voor maximaal 1/4-deel voorzien worden van steile of verticale oevers.
- Een poel waarvan de bodem hoger ligt dan de grondwaterstand kan worden voorzien van een bodem van leem of klei van ten minste 20 cm dikte en die goed dichtgesmeerd is.
- Een poel waarvan de bodem hoger ligt dan de grondwaterstand en voorzien is van leem of klei kan worden voorzien van een onderliggende plastic folie om uitdroging van het leem of klei te voorkomen.
- Een poel met een bodem- en waterhoogte hoger dan de grondwaterstand kan worden voorzien van een bodem van bentonietklei.
- De poel wordt bij voorkeur aangelegd met zowel ondiepe als diepe gedeelten om te voorkomen dat de poel helemaal bevriest.
- De poel heeft bij voorkeur een wateroppervlak van ten minste 50 m².
- De poel kan voorzien worden van stobben of keien op taluds voor extra dekking.
- De poel heeft in een optimale situatie een diepte tussen de 0,8 en 1,2 meter.
|
| Aspectspecificatie (good practice) | - De bodemhoogte van de poel wordt bij voorkeur dusdanig gerealiseerd dat deze ruwweg eens in de circa 4 tot 10 jaar droogvalt ter voorkoming van de permanente vestiging van vissen.
- Droogvallen van de poel in de periode april tot augustus wordt bij voorkeur voorkomen.
- Afrastering kan geheel of gedeeltelijk rondom de poel geplaatst worden om de poel te beschermen tegen vervuiling, vernieling of verstoring door mens of dier.
- Ophoping van bladeren in de poel kan worden voorkomen door binnen een straal van circa 20 meter rondom de poel geen hoogopgaande vegetatie te hebben staan.
- Verlanding van de poel kan worden voorkomen door jaarlijks onderhoud te plegen waarbij vegetatie en baggerslib verwijderd wordt.
- Vegetatie zoals bosschage of ruigte rondom de poel kan aangebracht worden om aansluiting met ecologische verbindingen en biotopen te verbeteren.
- Aanplant van onderwater- en of taludvegetatie heeft de voorkeur om de vegetatie sneller op gang te brengen.
- Inzaaien van taluds gebeurt bij voorkeur met een speciaal zaadmengsel voor oevers, bestaande uit bijvoorbeeld riet, rietgras, gele lis, lisdodde, waterzuring, dotterbloem en watermunt, waardoor sneller een natuurlijke situatie ontstaat dan bij kunstmatige aanplant van deze soorten.
- Clustering van verschillende poelen in de directe omgeving van elkaar verdient de voorkeur. Zie ook Checklist algemene ecologische maatregelen.
|
| Processpecificatie (good practice) | - Om de functionaliteit te toetsen wordt het gebruik van de poel bij voorkeur gemonitord. Fase=EM
- In geval van monitoring dient deze bij voorkeur te worden uitgevoerd door een ter zake kundig ecoloog. Fase=EM
- In geval van monitoring worden de resultaten bij voorkeur doorgegeven aan gegevensbeherende instanties. Fase=EM
- De staat van de poel dient periodiek gecontroleerd te worden, bij voorkeur door een ter zake kundig ecoloog. Fase=G, TM, EM
- Wanneer bij onderhoud slib wordt verwijderd dan wordt bij voorkeur 1/4 van het te verwijderen sliboppervlakte behouden als variatie en leefmilieu voor bepaalde waterbodemsoorten. Zie ook Checklist algemene ecologische maatregelen. Fase=G
- Het kap- en snoeiwerk van omliggende vegetatie kan het beste tussen medio september en medio februari worden uitgevoerd, maar dient afgestemd te worden op de lokale situatie. Fase=G
- Onderhoud aan de poel zelf vindt bij voorkeur plaats tussen medio augustus en medio oktober, maar dient afgestemd te worden op de lokale situatie. Fase=G
- Alle vormen van onderhoud dienen bij voorkeur gefaseerd plaats te vinden. Fase=G
|
| Raakvlakspecificatie (good practice) | - Wanneer in de omgeving verschillende poelen aanwezig zijn, wordt een nieuwe poel bij voorkeur tussen of nabij bestaande poelen gesitueerd om een robuuster netwerk van poelen te creëren.
|
|
| Kans | - Een poel kan de aantrekkelijkheid en het gebruik van ecoducten door waterafhankelijke fauna verbeteren.
- De maatregel kan mogelijk benut worden als positieve publiciteit.
- Een poel biedt kansen voor andere soorten zoals libellen en andere watergebonden flora en fauna.
- Een poel biedt kansen als drinkvoorziening voor diverse faunasoorten.
- De aanwezigheid van koeien of ander vee kan extra dynamiek creëren langs de oeverlijn en daardoor extra diversiteit.
|
| Risico (faalfactoren) | - De aanwezigheid van koeien of ander vee kan resulteren in vertrapping van de oever.
|
| Versterkende aanvullende voorziening(en) | - Door de omgeving van de poel ecologisch te versterken kan een betere ecologische samenhang verkregen worden met betere kansen voor de soorten waarvoor de poel bedoeld is maar ook kansen voor andere soorten zoals insecten en andere geleedpotigen, slakken, tweekleppigen en andere weekdieren, planten, reptielen en zoogdieren. Zie Checklist algemene ecologische maatregelen.
|
| Alternatieve voorziening(en) | - Sloot
- Meer
- Plas
- Moeras
- Kanaal
- Vaart
|
|
| Bronnen | Bronnen literatuur: - Richtlijnen voor inspectie en onderhoud van faunavoorzieningen
[ link ] - Handboek natuurdoeltypen. IKC Natuurbeheer, 1995
- Poelen en andere kleine wateren. Landschapsbeheer Nederland, mei 2004.
- Expertise werkgroepleden CROW.
- Expertise Tauw.
Bronnen afbeeldingen: - Afbeelding 1: Voorbeeld van een poel geschikt voor algemene amfibieën. Bron: Tauw
|
| Afbeeldingen | |