Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek Funderingen – Deel A (Eurocode 7)
Deze tekst is gepubliceerd op 23-04-19

A 2600 Representatieve waarden voor grondeigenschappen

A 2600 Representatieve waarden voor grondeigenschappen
In de praktijk worden de waarden voor de geotechnische parameters vaak geschat op basis van ervaring bij vergelijkbare projecten uit (bij voorkeur) de naaste omgeving. Ze worden ook wel bepaald uit de resultaten van uitgevoerd grondonderzoek op basis van algemeen bekende correlaties; in Nederland wordt vooral gebruik gemaakt van correlaties tussen verschillende grondeigenschappen en sondeerresultaten (zie A 2700).
Basis van alle berekeningen dient de representatieve waarde van de geotechnische parameters te zijn. Deze moet zijn vastgesteld op grond van een zorgvuldige afweging van de spreiding die in het terrein mag worden verwacht, waarbij rekening moet worden gehouden met alle beschikbare geologische informatie en achtergrondinformatie, en vanzelfsprekend met de resultaten van terrein- en laboratoriumproeven. Daarnaast heeft ook de constructiewijze invloed op de representatieve waarde van de grondeigenschappen. Omtrent het aantal laboratoriumproeven is in de normen niets voorgeschreven; als er meer laboratoriumproeven zijn uitgevoerd dient de representatieve waarde van het gemiddelde van de grondparameter te worden bepaald met inachtneming van de spreiding, conform A 1340 onder 'Bepaling karakteristieke waarde uit laboratoriumonderzoek'. Over het algemeen is de omvang van onderzoek in het laboratorium echter beperkt; voor bijzondere projecten met een specifiek geotechnisch probleem, alsmede voor projecten in de geotechnische categorie 3, is laboratoriumonderzoek echter wel gebruikelijk.
Voor het bepalen van de waarden voor de parameters mag gebruik worden gemaakt van tabel 1 van NEN 9997-1. Deze tabel geeft representatieve waarden voor de grondeigenschappen; deze tabel is in dit handboek als figuur A 26-2 opgenomen. De tabel is echter niet bedoeld als vervanger van grondonderzoek. In de tabel staan veilige ondergrenzen voor de representatieve waarden van de verschillende grondsoorten vermeld; grondonderzoek om realistischer waarden te verkrijgen is dan ook veelal 'lonend'.
De conusweerstand in de tabel hoort bij een effectieve verticale korrelspanning van 100 kPa. De waarde kan voor zand met behulp van de in figuur A 26-1 gegeven conversiefactor worden omgerekend. De grondsoort, inclusief bijmengsel, dient daarnaast te worden vastgesteld op basis van het wrijvingsgetal (zie hiervoor A 2510).
Figuur A 26-1
De conversiefactor Cqc voor omrekening van de gemeten conusweerstand in een zandlaag naar een conusweerstand bij een effectieve verticale korrelspanning van 100 kPa
Voorbeeld van het gebruik van figuur A 26-1: indien op een diepte van 3 m onder maaiveld in een zandlaag met een effectieve korrelspanning van 40 kN/m² een conusweerstand wordt gemeten van circa 8,2 MPa, dan moet voor het vaststellen van de relevante grondeigenschappen worden uitgegaan van een conusweerstand van 1,82 × 8,2 = 15 MPa.
Figuur A 26-2
Tabel 1 - Representatieve waardena van grondeigenschappen
Hoofd-
naam
Bijmengsel Consis-
tentie
b
γ
c

kN/m³
γ
sat

kN/m³
q
c
d g

MPa
C'
p
C'
s
C
c
/(1+e
0
)
[-]
C
a
f

[-]
C
sw
/(1+e
0
)
e

[-]
E
100
f

MPa
φ'
f

Graden
c'
kPa
c
u

kPa
Grind zwak siltig los 17 19 15 500 0,0046 0 0,0015 45 32,5 0 n.v.t.
matig 18 20 25 1000 0,0023 0 0,0008 75 35,0 0
vast 19 20 21 22 30 1200 1400 0,0019 0,0016 0 0,0006 0,0005 90 105 37,5 40,0 0
sterk siltig los 18 20 10 400 0,0058 0 0,0019 30 30,0 0 n.v.t.
matig 19 21 15 600 0,0038 0 0,0013 45 32,5 0
vast 20 21 22 22,5 25 1000 1500 0,0023 0,0015 0 0,0008 0,0005 75 110 35,0 40,0 0
Zand schoon los 17 19 5 200 0,0115 0 0,0038 15 30,0 0 n.v.t.
matig 18 20 15 600 0,0038 0 0,0013 45 32,5 0
vast 19 20 21 22 25 1000 1500 0,0023 0,0015 0 0,0008 0,0005 75 110 35,0 40,0 0
zwak siltig kleiig 18 19 20 21 12 450 650 0,0051 0,0035 0 0,0017 0,0012 35 50 27,0 32,5 0 n.v.t.
sterk siltig kleiig 18 19 20 21 8 200 400 0,0115 0,0058 0 0,0038 0,0019 15 30 25,0 30,0 0 n.v.t.
Leem
g
zwak zandig slap 19 19 1 25 650 0,0920 0,0037 0,0307 2 27,5 30,0 0 50
matig 20 20 2 45 1300 0,0511 0,0020 0,0170 3 27,5 32,5 1 100
vast 21 22 21 22 3 70 100 1900 2500 0,0329 0,0230 0,0013 0,0009 0,0110 0,0077 5 7 27,5 35,0 2,5 3,8 200 300
sterk zandig 19 20 19 20 2 45 70 1300 2000 0,0511 0,0329 0,0020 0,0013 0,0170 0,0110 3 5 27,5 35,0 0 1 50 100
Klei schoon slap 14 14 0,5 7 80 0,3286 0,0131 0,1095 1 17,5 0 25
matig 17 17 1,0 15 160 0,1533 0,0061 0,0511 2 17,5 5 50
vast 19 20 19 20 2,0 25 30 320 500 0,0920 0,0767 0,0037 0.0031 0,0307 0,0256 4 10 17,5 25,0 13 15 100 200
zwak zandig slap 15 15 0,7 10 110 0,2300 0,0092 0,0767 1,5 22,5 0 40
matig 18 18 1,5 20 240 0,1150 0,0046 0,0383 3 22,5 5 80
vast 20 21 20 21 2,5 30 50 400 600 0,0767 0,0460 0,0031 0,0018 0,0256 0,0153 5 10 22,5 27,5 13 15 120 170
sterk zandig - 18 20 18 20 1,0 25 140 320 1680 0,0920 0,0164 0,0037 0,0007 0,0307 0,0055 2 5 27,5 32,5 0 1 0 10
organisch slap 13 13 0,2 7,5 30 0,3067 0,0153 0,1022 0,5 15,0 0 1 10
matig 15 16 15 16 0,5 10 15 40 60 0,2300 0,1533 0,0115 0,0077 0,0767 0,0511 1,0 2,0 15,0 0 1 25 30
Veen niet voorbelast slap 10 12 10 12 0,1 5 7,5 20 30 0,4600 0,3067 0,0230 0,0153 0,1533 0,1022 0,2 0,5 15,0 1 2,5 10 20
matig voorbelast matig 12 13 12 13 0,2 7,5 10 30 40 0,3067 0,2300 0,0153 0,0115 0,1022 0,0767 0,5 1,0 15,0 2,5 5 20 30
Variatiecoëfficiënt 0,05- 0,25 0,10 0,20
a De tabel geeft van de desbetreffende grondsoort de lage, respectievelijk hoge representatieve waarde van gemiddelden. Binnen een gebied, gedefinieerd door de rij van het bijmengsel en de kolom van de parameter (een cel), geldt:
-als een verhoging van de waarde van een van de grondeigenschappen tot een ongunstiger situatie leidt dan de toepassing van de in de tabel gepresenteerde lagere representatieve waarde, moet de rechter waarde op dezelfde regel zijn gebruikt. Is er rechts geen waarde vermeld dan moet de waarde van de regel eronder zijn toegepast. Dit is bijvoorbeeld het geval bij negatieve kleef op een paal waar een hogere waarde van φ', c' en c
u
ook een hogere waarde van de negatieve kleef oplevert.
-voor C
c
/(1 + e
0
), C
a
en C
sw
(1 + e
0
) zijn in de tabel de hoge representatieve gemiddelde waarden vermeld.
b
Los: 0 < R
n
< 0,33
Matig: 0,33 ≤ R
n
≤ 0,67
Vast: 0,67 < R
n
< 1,00
c De γ-waarden zijn van toepassing bij een natuurlijk vochtgehalte.
d hier gegeven q
c
-waarden (conusweerstand) moeten dienen als ingang in de tabel en mogen niet in de berekeningen worden gebruikt.
e De waarden hebben betrekking op verzadigde leem.
f C
a
-waarden zijn geldig voor een spanningsverhogingstraject van ten hoogste 100% (ook bij C
sw
en andere C'
s
).
g Voor grind, zand en in beperkte mate ook voor leem en sterk zandige klei zijn q
c
, E
100
, φ' en de samendrukkingsparameters C'
p
, C
c
/(1 + e
0
) en C
sw
/(1 + e
0
) genormeerd voor een effectieve verticale grondspanning σ'
v
van 100 kPa. Om voor de in het terrein gemeten waarden van q
c
een juiste ingang in de tabel te verkrijgen, moeten deze waarden zijn geconverteerd naar het niveau van de effectieve verticale grondspanning σ'
v
van 100 kPa. In dat kader moet de formule q
c;tabel
= q
c;terrein
x C
qc
worden gebruikt, waarbij C
qc
moet zijn ontleend aan C
qc
= (100/σ'
v
)
0,67
. Voor de hoek van inwendige wrijving φ' en de cohesie c' geldt dat deze afhankelijk zijn van de consistentie van de grond. Dit betekent dat deze conversie ook nodig is voor φ' en c'.
De elasticiteitsmodulus bij belastingsherhalingen mag zijn aangenomen als zijnde driemaal de aangegeven waarde
VOORBEELD In schoon zand op een diepte van 5 m onder water is gemeten: q
c;terrein
= 9 MPa en σ'
v
= 50 kPa. Uit de formule voor C
qc
volgt dan C
qc
= 2
0,67
≈ 1,6. Volgens de formule voor q
c;tabel
geldt dan in dit voorbeeld q
c;tabel
= 9 x 1,6 = 14,4 MPa. Dit betekent dat E = 45 MPa, φ' = 32,5 graden, C'
p
= 600, C
c
/(1 + e
0
) = 0,0038 en C
sw
/(1 + e
0
) = 0,0013.