Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Trillingsrichtlijn A - Schade aan bouwwerken: 2017
Deze tekst is gepubliceerd op 09-10-20

Bevestiging trillingsopnemers

Trillingsopnemers moeten zo worden bevestigd dat de trillingen in de constructie in het van belang zijnde frequentiegebied ter plaatse van de opnemers nauwkeurig worden gemeten. Door de aanwezigheid van de opnemer mag het dynamisch gedrag van het onderdeel waaraan gemeten wordt in het genoemde frequentiegebied niet worden beïnvloed.
Bij de bevestiging van de opnemer dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:
De massa van opnemer en bevestigingshulpmiddelen dient verwaarloosbaar klein te zijn ten opzichte van de dynamische massa van het te meten onderdeel.
  • De ondergrond waarop de trillingsopnemer bevestigd wordt, dient schoon en vlak te zijn.
  • De opnemer moet waterpas en stijf verbonden worden met de constructie door middel van bijvoorbeeld:
  • een schroefverbinding;
  • bijenwas;
  • een magneet;
  • lijm;
  • zwaartekracht.
  • Als een meetpunt op de vloer wordt gekozen (bijvoorbeeld op begane grondniveau in de hoek van een ruimte) en de vloer is bedekt met een zachte afdeklaag (vloerbedekking), dan dient deze laag bij voorkeur te worden verwijderd. Is dit niet mogelijk, dan kan in afwijking van het voorgaande gebruikgemaakt worden van de in bijlage 2 aangegeven hulpconstructie. Op deze constructie wordt de trillingsopnemer bevestigd, waarna de punten door de vloerbedekking op de ondergrond worden gedrukt. Binnen het frequentiegebied van 1 tot 100 Hz is het meetresultaat betrouwbaar als de versnellingscomponent van de trilling kleiner is dan 3 m/s².
De aansluitkabels van de trillingsopnemer dienen zo vastgezet te worden dat deze de opnemer niet belasten en beweging van de kabels wordt voorkomen.
Opslaginterval
In eerdere edities van de richtlijn is geen aanwijzing gegeven met betrekking tot het aantal bepalingen van V
top,i
gedurende een meetperiode. Omdat uiteindelijk de topwaarde van de trillingssnelheid moet worden bepaald, zou de meting kunnen resulteren in 1 topwaarde over bijvoorbeeld een meetperiode van 12 uur. Dit is onwenselijk omdat hierdoor geen inzicht bestaat in het verloop en de spreiding van de topwaarde gedurende de meetduur. Daarom is in voorliggende richtlijn een opslaginterval benoemd. Voor de instellingen van het opslaginterval kan gekozen worden uit: 1, 2, 5, 10 of 30 s. Met de keuze voor 30 seconde wordt aangesloten bij SBR richtlijn B (hinder voor personen) waarin verplicht een vast meetinterval van 30 seconden is vastgelegd.
De voordelen van een korter opslaginterval zijn:
  1. Beter detecteren van gebeurtenissen (en eventueel herhaald voorkomen van gebeurtenissen binnen een bepaalde tijdsperiode).
  2. Het vergelijken van gebeurtenissen tussen verschillende meetsystemen.
  3. Het vergelijken van achtergrondtrillingen (indien van toepassing) en de bron.
Het is mogelijk dat een gebeurtenis (passage van een trein bijvoorbeeld) in meerdere intervallen optreedt. Dat is geen probleem omdat uiteindelijk de hoogste waarde van alle V
top,i
waarden per interval gebruikt moet worden voor de beoordeling.