Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek lichtmasten
Deze tekst is gepubliceerd op 27-09-11

Specificaties bepalen

Deze paragraaf geeft per lichtmastdeel een beschrijving van de specifieke eisen en mogelijkheden die in de NEN-norm staan, in het Nederlandse voorwoord van de norm en in het advies dat binnen het handboek wordt gegeven, aangevuld met een korte toelichting. Bij het beschrijven van een lichtmast is het van belang elk van de onderstaande zaken vast te leggen om onduidelijkheden te voorkomen. Naast deze lijst met keuzemogelijkheden is gebruik te maken van de Referentiekaart lichtmast en de checklist achterin (zie bijlagen I en II).
Als technische wensen of eisen niet beschreven zijn in bijvoorbeeld een bestek, dan is de lichtmastfabrikant vrij te kiezen uit de binnen de norm beschreven standaard. Er zijn altijd aanvullende eisen te stellen aan lichtmasten, voor wat betreft veiligheid, uitbuiging en uitvoering. Dit kan wel consequenties hebben voor de sterktecalculatie, de CE-markering en de levertijd.
Tabel 1 laat de werkwijze zien voor het beschrijven van de lichtmast per onderdeel. De kruisjes geven aan welke keuze uit de standaardreeks geadviseerd wordt. Het is altijd toegestaan af te wijken van deze voorkeurreeks.
a Nominale masthoogte
Bij het beschrijven van de lichtmast gaat het voor een groot deel om de afmetingen (NEN-EN 40-2), te beginnen met de nominale masthoogte (h). Deze is opgenomen in tabel 2.
De keuze voor de nominale masthoogte hangt met name af van het aanwezige wegprofiel en het beheerplan van de wegbeheerder.
Tabel 1. Werkwijze voor het beschrijven van de lichtmast per onderd
Norm: Europese reeks opgenomen in normteksten (EN 40) keuze A keuze B enz.
Voorwoord: geadviseerde reeks in Nederlands voorwoord (NEN-EN 40) - x x
Handboek: geadviseerde reeks volgens het Handboek lichtmasten - x -
Tabel 2. Nominale masthoogten
Norm (in m) 3 4 5 6 7 8 9 10 12 14 15 16 18 20
Voorwoord x x x x - x - x x - x - x -
Handboek - x - x - x - x x - x - x -
Tabel 3. Nominale masthoogten voor uithoudermasten
Norm (in m) 5 6 7 8 9 10 12 14 15 16 18
Voorwoord - x - x - x x - x - x
Handboek - x - x - x x - x - x
Tabel 4. Uithouderlengten (w)
Norm (in m) 0,3 0,5 0,75 1,0 1,25 1,5 2,0 2,25
Voorwoord - x x x x x - -
Handboek x x x x x - - -
Tabel 5. Buighoek armatuurdrager (uithouder)
Norm (in graden) 3 5 10 15
Voorwoord - x - x
Handboek - x - -
b Nominale masthoogten voor uithoudermasten
Tabel 3 geeft de nominale masthoogten (h) voor uithoudermasten weer.
c Uithouderlengte
Tabel 4 behandelt de uithouderlengte (w), dit is de afstand van het hart van de mast tot het begin van de armatuurdrager.
De keuze voor de uithouderlengte werd in het verleden met name bepaald door het toegepaste lamptype en de armatuur. Door de opkomst van de puntlichtbronnen en spiegeloptieken zijn uithouders minder noodzakelijk geworden.
Het is raadzaam de uithouderlengte nooit meer dan 25 procent te laten zijn van de nominale masthoogte.
d Buighoek van de armatuurdrager
Tabel 5 betreft de buighoek van de armatuurdrager, niet te verwarren met de tilthoek van het armatuur. Voor het vaststellen van een verlichtingstechnische tilthoek moet de buighoek in combinatie met de tilthoek van de armatuur bepaald worden.
Veel bestaande lichtmasten met een armatuurdrager zijn uitgevoerd met een buighoek van 5 graden waarop een opschuifarmatuur aangebracht is.
De maximaal toelaatbare hoekverdraaiing van 2 graden van de uithouder, inclusief armatuur, is aangepast naar een maximale zakking van 0,025 x de uithouderlengte in mm. Dit wijkt af van de NPR 993, 5e druk.
e Afmetingen mastdeuren
De afmetingen van de mastdeuren komen aan de orde in tabel 6.
Tabel 6. Afmetingen mastdeur(en)
Norm hoogte (in mm) 132 186 200 300 400 400 400 400 500 500 600 600
breedte (in mm) 38 45 75 85 60 85 90 100 100 120 115 130
Voorwoord - - - x - x - x x x x x
Handboek - - - x - x - x x x x x
Toelichting:
  • Alle deurmaten zijn overgenomen uit de norm met uitzondering van deurmaten in betonnen lichtmasten.
  • De genoemde maten zijn dagmaten.
  • Afhankelijk van de productiemethode kan de uitsnijding in de mast groter zijn. Voor de sterkteberekening moet de maat van de uitsnijding in het mastlichaam aangehouden worden.
  • Het is mogelijk de positieve invloed van aanvullende deurconstructies mee te nemen in de sterkteberekening als aantoonbaar is in welke mate de deurconstructie bijdraagt aan de sterkte.
Het is zaak om bij de keuze van het aantal mastdeuren en de afmeting ervan met name te kijken naar de afmetingen van de elektrotechnische materialen die in de mast zullen komen. Het aantal mastdeuren hangt niet af van het aantal eventuele uitleggers of de nominale masthoogte.
Enkele voorbeelden:
  • een paaltopmast van 10 m met voorschakelapparatuur (VSA) in armatuur: één deur, afmeting 400 × 85 mm;
  • dubbele uithoudermast van 10 m met VSA in armatuur: één deur, afmeting 400 × 85 mm;
  • een paaltopmast van 10 m met VSA op montagestrook: één deur, afmeting 600 × 115 mm;
  • dubbele uithoudermast van 18 m met VSA op montagestrook: twee deuren, afmeting 600 × 115 × 400 + 115 mm.
Dit zijn slechts voorbeelden en geen standaardtoepassingen. Bij het beschrijven van een lichtmast met lage nominale masthoogten is het advies standaard voorschakelapparatuur in de armatuur aan te brengen. De montageruimte in de mast is vaak beperkt door de kleine buisdiameter. Ook zijn eventueel kleinere mastdeuren toe te passen.
Voor de plaatsingshoogte van mastdeuren luidt het advies:
  • één mastdeur: onderkant 1000 mm boven maaiveld;
  • twee mastdeuren: onderkant onderste deur 600 mm boven maaiveld.
Opmerking: de norm is ≥ 300 mm boven maaiveld.
Deze hoogten zijn met name gebaseerd op het installatiegemak. Bij toepassing van lichtmasten met lage nominale masthoogten is het niet altijd mogelijk de mastdeur op de geadviseerde hoogte aan te brengen. Verder is binnen de norm opgenomen dat de minimale afstand tussen mastdeuren gelijk moet zijn aan de grootste deurbreedte (dagmaat).
Deuren moeten bij voorkeur zo in de mast geplaatst worden, dat ze vanaf de weg gezien aan de achterzijde van de lichtmast komen, dus aan de zijde die van de weg is afgekeerd. Dit heeft als voordeel dat de (uitlegger)mast gunstiger te construeren is en er geen aparte uitvoering voor de linker- en rechterzijde van de weg nodig is. Bovendien kan de monteur links en rechts van de mast het verkeer in de gaten houden. Dit is in tegenspraak met de stelling dat de monteur naar het aanrijdend verkeer moet kunnen kijken. In de praktijk lukt dit niet: een monteur kan tijdens het werk in een mast niet ‘om’ de mast naar het aankomend verkeer kijken.
f Afmetingen kabelinvoergat
De geadviseerde afmetingen van het kabelinvoergat zijn weergegeven in tabel 7.
g Lengte ondergronds deel
De lengte van het ondergrondse deel wordt behandeld in tabel 8.
Voor normale toepassingen is de lengte van het ondergrondse deel voldoende zoals aangegeven in de rij ‘standaard’. In een situatie waarin de grondweerstand lager is dan normaal, is te kiezen voor ‘verzwaard’. Eventueel is ook de standaardlengte aan te vullen met bijvoorbeeld een grondplaat, grondvleugels en/of speciale verankering.
h Bevestiging voetplaten
Tabel 9 gaat over de bevestigingspunten van de voetplaten. De afmetingen betreffen hart op hart maten van de boutgaten.
i Afmetingen paaltop armatuurdrager
De afmetingen van armatuurdragers van een paaltopmast worden behandeld in tabel 10.
Niet alle armaturen voldoen aan de afmetingen van armatuurdragers zoals genoemd in de norm. In de normen voor armaturen zijn deze afmetingen niet beschreven. Hieruit is te concluderen dat de lichtmastfabrikant zich vaak moet aanpassen aan de armatuurfabrikant.
In de praktijk betekent dit het aanmaken van een speciale armatuurdrager (verloopstuk).
Vaak wordt de armatuur op een lichtmast gezet zonder een hulpstuk als armatuurdrager te gebruiken. Dan is het wel zaak de mastlengte (h) op te tellen bij de lengte van de armatuurdrager (l). Zie de Referentiekaart lichtmast (bijlage I).
Tabel 7. Afmetingen kabelinvoergat
Norm hoogte (in mm) 150 150 150
breedte (in mm) 50 60 75
Voorwoord x - -
Handboek x - -
Tabel 8. Lengte ondergronds deel
Norm hoogte (in m) ≤ 5 6 7 en 8 9 en 10 12 15 18 en 20
Voorwoord (standaard in mm) 800 1000 1200 1500 1700 2000 2000
Handboek (standaard in mm) 800 1000 1200 1500 1700 2000 2000
Handboek (verzwaard in mm) 1000 1200 1500 1700 2000 2500 2500
Tabel 9. Bevestigingspunten voetplaten (hart op hart maten boutgaten)
Norm (in mm) 200 215 250 285 300 325 400 450 500 550
Voorwoord x - x - x - x - - -
Handboek x - x - x - x - - -
Tabel 10. Afmetingen paaltop armatuurdrager (opzet)
Normdiameter (in mm) 60 62 76 78 89 102 108
lengte (in mm) 70 70 130 130 130 250 250
Voorwoord x - x - - - -
Handboek x - x - - - -
j Afmetingen opschuif armatuurdrager
Dit geldt ook voor een opschuifarmatuur waarbij geen hulpstuk als armatuurdrager gebruikt wordt. Houdt dan rekening met het feit dat hierdoor de uithouderlengte (w) vermeerderd wordt met de lengte van de armatuurdrager (l).
De afmetingen van een opschuif armatuurdrager staan in tabel 11.
Tabel 11. Afmetingen opschuif armatuurdrager
Norm diameter (in mm) 42 42 42 60 60 60 62 62 62
lengte (in mm) 100 250 400 100 250 400 100 250 400
Voorwoord x x - x x - - - -
Handboek x x - x x - - - -