Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Licht en ruimte - openbare verlichting in de omgeving
Deze tekst is gepubliceerd op 05-03-13

Bijlage. Nieuwe Richtlijn Openbare Verlichting (ROVL 2011), hoofdstuk Beleidskeuzes

Nieuwe Richtlijn Openbare Verlichting (ROVL 2011), hoofdstuk Beleidskeuzes

6 Beleidskeuzes

6.1 Inleiding

Factoren (niet uitputtend) die invloed kunnen hebben op te maken keuze voor verlichten:
  • sociale veiligheid
  • persoonlijke veiligheid
  • verkeerveiligheid
  • aantrekkelijkheid/verfraaiing
  • donkerte
  • lichthinder
  • natuurgebied
  • voorbeeldfunctie
  • stimuleren ontwikkelingen
  • regelgeving/afspraken
Verlichten van de openbare ruimte hoeft niet altijd. Er kunnen redenen zijn om niet, dan wel zeer beperkt te verlichten. De keuze hiervoor is een beleidsafweging. Deze keuze hangt nauw samen met aspecten als veiligheid, duurzaamheid, donkerte, etcetera.
Verlichten; waar en wanneer
De uitkomst van de beleidskeuze kan leiden tot niet verlichten. Eventueel alternatieve maatregelen (anders dan ‘normaal verlichten’) kunnen worden genomen om de gewenste zichtbaarheid/veiligheid te realiseren. Ook kunnen bepaalde omstandigheden tijdsgebonden zijn en kan dus de verlichtingskeus hiermee variëren.
Als de keuze voor verlichting wordt gemaakt, dan geeft deze richtlijn hiervoor duidelijke aanwijzingen. In hoofdstuk 7 wordt per situatie en omstandigheid aangegeven welke verlichtingskwaliteit wordt geadviseerd. Ook het licht regelen, onder bepaalde voorwaarden, wordt in deze richtlijn behandeld.
Markeringen
  • Niet verlichte markeringen (bijvoorbeeld reflecterende bermpaaltjes)
  • Verlichte markeringen (bijvoorbeeld verlichte bermpaaltjes of lichtpunten die het wegverloop aangeven, zogenaamde actieve markering; zie hiervoor tevens de ‘aanbeveling actieve markering, NSVV 2004)
  • Oriëntatieverlichting (bijvoorbeeld het plaatsen van verlichtingsobjecten op strategisch gekozen locaties)
Keuze
Wel of niet verlichten, dan wel het toepassen van een alternatieve maatregel is een keuze en geen ‘wet’. De NSVV wil bewust niet voorschrijven wanneer welke keuze precies gemaakt moet worden, maar wel willen we de lezer een afwegingskader bieden voor de besluitvorming tussen niet en wel verlichten.
Het beleid van een beheerder (bijvoorbeeld gemeente of provincie) is in eerste instantie leidend. Heeft de beheerder een ‘niet verlichten, tenzij’ beleid of wil ze juist meer van haar grondgebied gaan verlichten? Wil de beheerder ontwikkelingen stimuleren en/of een bepaalde energiereductie bereiken?
De ruimte om beleidskeuzes te maken is afhankelijk van aspecten, zoals sociale en verkeersveiligheid. Ook het beleid ten aanzien van donkerte speelt hier een rol.
Als er geen beleidsplan is of er geen algemene visie beschreven is, dan moet per geval afgewogen worden of verlicht gaat worden of een alternatieve vorm van verlichting gekozen wordt of niet verlicht wordt. Het is vervolgens raadzaam de gemaakte keuze te motiveren en vast te leggen, zodat later aangetoond kan worden waarom tot een bepaalde keuze is gekomen.
In de volgende paragraaf worden verschillende veel voorkomende situaties beschreven. Het geeft inzicht in de verschillende aspecten die van invloed zijn op de te maken keuzes.
In de bijlagen is een aantal voorbeelden van beslissingsbomen opgenomen voor verschillende situaties. Deze voorbeelden zijn samengesteld op basis van ervaringen. U kunt deze voorbeelden, al dan niet voor uw specifieke situatie aangepast, gebruiken om uw keuze te onderbouwen, vast te leggen en te communiceren.
6.2 Binnen de bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom wordt in Nederland over het algemeen verlicht. De functie van deze verlichting is een combinatie tussen diverse functies. In sommige gebieden overheerst de positieve werking van verlichting op de verkeersveiligheid, in andere gebieden meer op sociale en persoonlijke veiligheid. Ook beleving zal een rol spelen, waarbij centra van steden bijvoorbeeld ook ’s nachts zo ontworpen worden dat voor de bewoners en bezoekers een aangename omgeving ontstaat.
Het is niet zo dat binnen de bebouwde kom licht alleen maar aan- en uitgeschakeld wordt. Er is een aantal gemeenten, dat de helft van de verlichting om en om uitschakelt na een bepaald tijdstip. Verlichtingtechnisch is dit niet een goede oplossing aangezien de gelijkmatigheid dan sterk achteruit gaat. Licht regelen is een adequaat alternatief dat de laatste jaren sterk toeneemt. Deze richtlijn biedt daar de gelegenheid voor.
Niet voor alle locaties is eenduidig vast te leggen hoe omgegaan moet worden met de verlichting. Moet een park of een achterpad verlicht worden? Moet een voortuin verlicht worden?
6.2.1 Voortuinen
De vraag rijst waar de taak van de overheid ophoudt ten aanzien van het verlichten. Hier speelt de vraag of en tot hoever licht vanuit de openbare ruimte wenselijk is. De behoefte om te verlichten met een lagere milieubelasting, zowel voor wat betreft het energiegebruik als het voorkomen van lichthinder en lichtvervuiling, kan ertoe leiden dat alleen nog de weg, of in geval van woonstraten het gebied van erfgrens tot erfgrens, conform de richtlijn, wordt verlicht. Enige mate van strooilicht buiten dit gebied komt dan niet, of nauwelijks meer voor. In veel situaties kan dit leiden tot donkere voortuinen en gevoelens van onveiligheid en ongemakken, doordat bijvoorbeeld het sleutelgat van de voordeur niet meer gemakkelijk is te vinden.
Het Politie Keurmerk Veilig Wonen stuurt aan op (energiezuinige) verlichting bij de voordeur om te kunnen zien wie daar staat en omwonenden mogelijkheden te geven sociale controle uit te oefenen.
Overwogen kan worden om het gebied grenzend aan de openbare ruimte enigszins mee te verlichten, door bijvoorbeeld bij het lichtontwerp hier rekening mee te houden.
Te veel licht kan leiden tot lichthinder. Naar binnen schijnend licht dient altijd zo veel mogelijk te worden voorkomen. Plaats van het verlichtingsobject, toe te passen verlichtingsarmatuur (mate van afscherming) en de hoogte ervan zijn zaken waarmee rekening moet worden gehouden bij het ontwerp (zie ook de NSVV-aanbevelingen over lichthinder).
6.2.2 Parken
Bij parken wordt algemeen als uitgangspunt genomen dat niet wordt verlicht. Een park integraal sociaal veilig verlichten is niet mogelijk en niet wenselijk. Een uitzondering kan gemaakt worden voor een doorgaande fiets-, of wandelroute. Hier kan verlicht worden als er voldoende sociale controle mogelijk is en voldoende zicht is op de zone naast het pad (beplantingsvrije ruimte) en onbelemmerd zicht vanaf naastgelegen wegen. Hierbij kan ook gedacht worden aan het doven van de verlichting als er te weinig fietsers en/of voetgangers aanwezig zijn. Verlichting geeft in deze situatie een vals gevoel van veiligheid die vermeden moet worden.
6.2.3 Achterpanden
Er is een grote verscheidenheid in de manier waarop eventuele achterpadverlichting georganiseerd wordt. Dit moet van geval tot geval bekeken worden in overleg met de eigenaren of woningcorporatie.
Achterpaden in eigendom van de gemeente
Indien Politiekeurmerk Veilig Wonen ® van toepassing: zie betreffende eisen Politiekeurmerk Veilig Wonen ®. Indien geen Politiekeurmerk Veilig Wonen ® van toepassing is, wordt aanbevolen om in geval van bovengemiddelde aandacht voor het aspect sociale veiligheid, beleid op te stellen in de geest van het Politiekeurmerk Veilig Wonen ®.
Niet in eigendom van de gemeente
In deze situatie ligt de verantwoordelijkheid voor verlichten bij derden (particulieren, woningstichting e.d.). Hierbij kan de vraag rijzen welke rol, of bijdrage de gemeente kan leveren. De volgende mogelijkheden kunnen hierbij worden overwogen:
  • Afstemming lichtkwaliteit openbare ruimte met die van de achterpaden, ter voorkoming van ongewenste overgangssituaties.
  • Ter beschikking stellen van, of bijdragen in kosten van verlichtingsarmaturen die bewoner zelf plaatst en de energie- en onderhoudskosten draagt.
  • Door gemeente plaatsen van verlichting, waarbij al dan niet een deel van de investering- en/of exploitatiekosten in rekening worden gebracht.
  • Geen ondersteuning.
6.3 Buiten de bebouwde kom
Buiten de bebouwde kom wordt vaak niet verlicht. De duisternis is het uitgang punt hoe de openbare ruimte gestalte krijgt. Verlichting plaatsen is een keuze waarbij de positieve functie van verlichting afgewogen moet worden tegen de negatieve aspecten. In een natuurgebied zullen eerst alternatieven geprobeerd worden. Verlichten is een keuze die goed onderbouwd moet worden.
We onderscheiden verschillende functies van verlichting: verkeersveiligheid, sociale veiligheid en comfort.
6.3.1 Verkeersveiligheid
Verkeersveiligheid kan gediend zijn met licht voor de oriëntatie of bij het overzicht over de gehele verkeerssituatie.
Het kan van belang zijn een hulp bij de oriëntatie te krijgen hoe de weg loopt. Dit kan bereikt worden door diverse methoden zoals markering op de weg, in de vorm van belijning of kattenogen. Een andere is de zogenaamde actieve markering, waarbij langs de rand van de weg een rij lichtjes het verloop van de weg aangeeft. Dit kan een goede oplossing zijn als markering door belijning of kattenogen niet voldoende is en het plaatsen van openbare verlichting kan worden voorkomen of ongewenst is (bijvoorbeeld in natuurgebieden).
Verlichten geeft de omgeving weer met alle voorwerpen en beweging die zich daarin afspelen. Dit is vooral van belang bij grotere drukte, waar veel bewegingen het noodzakelijk maken om goed de onderlinge afstanden en snelheden waar te nemen.
6.3.2 Sociale veiligheid
Sociale veiligheid is zelden gebaat bij verlichting buiten de bebouwde kom. Wil sociale veiligheid met verlichting vergroot worden dan moet er voldoende toezicht mogelijk zijn. Dit betekent dat er op een fiets- of wandelpad zoveel mensen aanwezig zijn dat dit mogelijk is. Dat is in het buitengebied zelden het geval. Of een autoweg langs een fietspad voldoende mogelijk toezicht oplevert moet per locatie beoordeeld worden. Bij gebundelde verkeersstromen is de sociale veiligheid (controle) hoger, dan bij vrijliggende verkeersstromen. Overwogen kan worden om licht op een fietspad naar een sportveld na een bepaald uur uit te schakelen.
6.3.3 Comfort
Stel dat er besloten wordt om een fietspad in het buitengebied te verlichten vanwege de sociale veiligheid dan moet er goed verlicht worden; een vorm van markering actief of passief is daarbij niet aan de orde.
6.3.4 Randzones
Buiten de bebouwde kom zal comfort niet vaak de doorslag geven in de keuze om te gaan verlichten. De kosten en de negatieve aspecten van verlichting wegen niet op tegen de voordelen.
Er is altijd een rand aan een stad, dorp of bedrijventerrein. Licht dat aan de rand van de bebouwde kom geplaatst wordt is van verre te zien als het omringende land open is. Aanbevolen wordt om kritisch te kijken naar de mogelijke nadelige effecten van deze verlichting. Een juiste materiaalkeuze (zoals afgeschermde armaturen) en de plaats van de verlichtingsobjecten kunnen bijdragen aan vermindering van ongewenste lichtverspreiding.
6.4 Voorbeelden beslisbomen
De voorbeelden in de bijlagen kunt u, al dan niet voor uw specifieke situatie aang past, gebruiken om uw keuze te onderbouwen, vast te leggen en te communicen.
De in de bijlagen getoonde voorbeelden zijn met nadruk voorbeelden en geen ‘wet’. bedoeld om handvatten te geven voor het onderbouwen van eigen specifieke situaties en omstandigheden. Het ontneemt niet de noodzaak tot zelf nadenken en afwegingen te maken!

Er zijn voorbeelden opgenomen van:
Buiten bebouwde komBinnen bebouwde kom
  • Stroomweg / gebiedsontsluitingsweg
  • Wandel-, fietsroute door park
  • Erftoegangsweg
  • Hondenuitlaatgebied
  • Fietspad
  • Fietspad