Atterbergse grenzen
De Atterbergse grenzen bestaan uit de uitrolgrens, of plastic limit, wp, en de vloeigrens, of liquid limit, wL. De Atterbergse grenzen geven een indruk van de plasticiteit van klei en worden zowel gebruikt bij het classificeren van grond als bij het beoordelen van bepaalde kleisoorten als constructiemateriaal(zie paragraaf 7.2). De Atterbergse grenzen worden voornamelijk op cohesief, niet sterk humeus materiaal bepaald. Voor zandige en humeuze monsters kunnen de grenzen niet eenduidig worden bepaald. De bepaling van de Atterbergse grenzen is beschreven NEN-EN-ISO 17892-12().
Uitrolgrens, plastic limit, wp
De uitrolgrens is gedefinieerd als het watergehalte, w, waarbij klei breekt als het wordt uitgerold tot een dikte van 3 mm.
Vloeigrens, liquid limit, wL
De vloeigrens kan op twee methoden worden bepaald. De eerste methode is aan de hand van het apparaat van Casagrande. Hierbij wordt de klei in een bakje gelegd en met een spatel van voorgeschreven afmetingen een gleuf in de klei aangebracht. Vervolgens wordt het bakje enigszins opgetild en valt het weer op de onderplaat. De vloeigrens is het watergehalte waarbij na 25 maal tikken de gleuf dichtvloeit. Deze methode is, conform NEN-EN-ISO 14688-2 () in de Nederlandse praktijk niet meer toegestaan. De tweede methode is valconus, fall cone. Hierbij wordt een conus met geuniformeerde vorm van een voorgeschreven hoogte losgelaten waarbij deze in de klei valt. De diepte waarover deze vervolgens in de klei zakt is en een maat voor de vloeigrens. Opgemerkt wordt dat, hoewel met beide methoden de vloeigrens wordt bepaald, de daadwerkelijke meetwaarden kunnen verschillen. Metingen met beide methodes dienen niet zondermeer door elkaar te worden gebruikt.
Plasticiteitsindex, Plasticity Index, PI
De plasticiteitsindex is het verschil tussen de vloeigrens en uitrolgrens, PI = wL – wp.
[ link ]
Figuur 3.7.3, Bepaling Atterbergse grenzen, links werktafel voor bepaling uitrolgrens, midden: apparaat van Casagrande, rechts; fall cone. Bron: Deltares.