Uitgangspunten ontwerp waterpasserende en waterdoorlatende
Waterdoorlatende (water kan door de straatsteen zelf stromen) en waterpasserende bestratingen (water stroomt langs de straatsteen maar door de voeg) stellen vanzelfsprekend hoge eisen aan de waterdoorlatendheid, de bergingscapaciteit en de gevoeligheid van dichtslibben van de fundering en de waterdoorlatendheid van de ondergrond. Een met water verzadigde, slecht doorlatende fundering nodigt uit tot het ontstaan van kuilen in de wegconstructie en grote plassen op de bestrating. Tabel 7.6 geeft een overzicht van aandachtspunten en constructiedetails die afhankelijk van de waterdoorlatendheid van de ondergrond moeten worden onderscheiden [40].
Tabel 7.6. Aandachtspunten fundering van waterdoorlatende en waterpasserende bestrating
| Waterdoorlatendheid onderbouw | Aandachtspunten en constructiedetails |
| Zeer doorlatend | Al het water infiltreert onmiddellijk in de grond. Een onderfundering en extra drainage zijn niet nodig. |
| Doorlatend | Het water infiltreert grotendeels na buffering in de onderfundering. Het is raadzaam om op de overgang tussen fundering en onderfundering drainage aan te brengen als het risico op overschrijding van de bergingscapaciteit van de fundering groot is. |
| Matig/slecht doorlatend | Het water infiltreert slechts zeer beperkt in de grond. Het overige water wordt gebufferd in de onderfundering en afgevoerd via een drainage-inrichting, die de afvoer vertraagd loost naar nabijgelegen sloten, infiltratievoorzieningen of regenwaterriolen. |
| Geen infiltratie toegestaan | Op de ondergrond en rondom de wegconstructie wordt een ondoorlatend membraan aangebracht. Verder als bij matig/ slecht doorlatend. |
De benodigde waterdoorlatendheid en berging moeten worden berekend uit het te verwachten debiet tijdens de maatgevende regenbui. Hierbij moet, zeker in glooiende gebieden met veel verhard wegoppervlak, rekening worden gehouden met toestroom van hemelwater dat elders is gevallen.
[ link ]
Figuur 7.8. Voorbeelden van constructieopbouw van waterpasserende/ waterdoorlatende bestrating
Figuur 7.8 toont een paar voorbeelden van de constructieopbouw. Onder in de fundering wordt meestal een geotextiel aangebracht om vermenging van het funderingsmateriaal met het onderliggende materiaal tegen te gaan.
Harde voegmaterialen zoals porfier, basalt en zandsteen verdienen de voorkeur boven zachte gesteenten zoals kalksteen, dolomiet en marmer. Te zachte materialen zullen immers na verloop van tijd verweren tot een fijnere korrelmaat met een groter stofaandeel, waardoor de waterdoorlatendheid zal afnemen.
Het voegmateriaal voor toepassingen met straatstenen met verbrede voegen of drainage-openingen moet een minimale waterdoorlatendheid hebben. Een korrelmaat 1/3 of 2/5 voldoet hier ruimschoots aan. Omdat bij waterpasserende en waterdoorlatende bestratingen geen fijn materiaal in de voegen is toegelaten en dus niet wordt gebruikt, zal de voegstijfheid minder groot zijn dan bij ‘normale’ bestratingen. De geleidelijke toename van de stijfheid van de elementenlaag, aangeduid met de term ‘progressive stiffening’, zal daarom veel lager zijn.
De fundering van een waterdoorlatende/ waterpasserende bestrating is ongebonden en bestaat meestal uit kalksteen, lavasteen of andere meestal primaire materialen waarvan de fractie kleiner dan 4 mm is verwijderd. Onder de fundering wordt meestal een geotextiel aangebracht.