I.3. Kabels, leidingen en riolering
Om een ongestoorde levering en werking te garanderen, moeten kabels, leidingen en riolering aan een groot aantal eisen voldoen. De eisen betreffende de locatie worden onder andere beschreven in NEN 7171 [9]. Een toelichting op de meest relevante eisen voor de combinatie met bomen in de openbare ruimte wordt hieronder gegeven. Riolering behoort tot de leidingen, maar wordt – waar van toepassing – apart benoemd, vanwege een aantal specifieke eigenschappen:
- Tracé en omgeving bieden een ongestoorde ligging
- Kabels, leidingen en riolering volgen een zo kort mogelijk tracé
- Kabels, leidingen en riolering zijn goed bereikbaar
- Tracé en omgeving van masten en bovengrondse kabels zijn vrij van verstoring
Definitie van kabels, leidingen en riolering
Het totaal aan ondergrondse netten dat het transport verzorgt van onder andere drinkwater, elektriciteit, gas, telecommunicatie, openbare verlichting, verkeersregelinstallaties, industrieel transport, drainage, warmtedistributie, afvalinzameling, koude- en warmteopslag en geothermie, alsmede de inzameling en afvoer van hemelwater, overtollig grondwater en afvalwater.
1 Tracé en omgeving bieden een ongestoordeligging
Kabels, leidingen en riolering mogen geen negatieve invloed van omgevingsfactoren ondervinden en moeten onbeschadigd blijven.
1.1 Geen ligging onder invloed van het grondwater
Op plaatsen waar kabels en leidingen door grondwater gaan, moeten speciale materialen en uitvoeringen worden toegepast. Deze zijn extra kostbaar. Dat geldt zeker voor een specifieke ‘waterkabel’.
Op plaatsen waar kabels en leidingen door grondwater gaan, moeten speciale materialen en uitvoeringen worden toegepast. Deze zijn extra kostbaar. Dat geldt zeker voor een specifieke ‘waterkabel’.
Het leggen van kabels of leidingen op plaatsen waar permanent grondwater staat is ongewenst. Bij de aanleg, onderhoudswerk en het verhelpen van storingen is dan namelijk bemaling nodig. Dat levert ernstige hinder op, plus een langere hersteltijd en hogere kosten. Bovendien kan het grondwater zelf een negatief effect hebben op kabels en leidingen en verbindingen.
1.2 Geen ongelijkmatige verdichting van de grond rondom kabels en leidingen
De sleuven of cunetten waar de kabels en leidingen in liggen moeten worden verdicht, omdat ze voldoende draagkracht moeten bieden voor bovengronds gebruik voor rijbaan, fietspad, trottoir of groenstrook. De grond rondom kabels en leidingen moet gelijkmatig worden verdicht om beschadigingen te voorkomen.
1.3 Geen negatieve invloed van wortels
De invloed van boomwortels wordt nogal eens onderschat maar ze kunnen kabels, leidingen en riolering ernstig beschadigen. Wortelingroei leidt soms ook tot extra beheermaatregelen, zoals vaker reinigen van het riool of zelfs het moeten wegfrezen van ingedrongen boomwortels.
1.4 Geen grote temperatuurschommelingen
Grote temperatuurschommelingen kunnen bij de samenstellende delen van kabels en leidingen ongewenste werking veroorzaken. In het algemeen is het gunstig als kabels en leidingen voldoende diep liggen en op voldoende onderlinge afstand, om dit effect te beperken.
1.5 Kabels en leidingen mogen geen negatieve invloed ondervinden van andere ondergrondse kabels en leidingen
Kabels en leidingen moeten in de eerste plaats gesloten blijven, om geen negatief effect op naastliggende kabels en leidingen te veroorzaken. Een ongestoorde ligging is daarom bijzonder belangrijk. Daarnaast is voldoende onderlinge afstand tussen de kabels en leidingen noodzakelijk om werkzaamheden of reparaties te kunnen uitvoeren. NEN 7171 beschrijft de gewenste onderlinge afstanden [9, 10].
1.6 Elektriciteitskabels moeten goed geïsoleerd en afgeschermd zijn
Bovengronds geldt dat trafohuisjes en vergelijkbare voorzieningen zich bij voorkeur in de open lucht bevinden, met voldoende vrije ruimte eromheen. Dit om de effecten van warmteafgifte, magnetische velden en eventuele storingen of calamiteiten zo beperkt mogelijk te houden. Ondergronds moeten de elektriciteitskabels goed geïsoleerd en afgeschermd zijn.
1.7 Drinkwaterleidingen en rioleringen dienen vorstvrij te liggen
Een vorstvrije ligging is in het bijzonder van belang voor drinkwaterleidingen en riolering (inclusief huisaansluitleidingen).
1.8 Bij riolering onder vrij verval dient het afschot gewaarborgd te blijven
Bij onvoldoende afschot kunnen vaste bestanddelen in het afvalwater bezinken en zich ophopen. Dat kan leiden tot verminderde capaciteit en verstoppingen. In dit verband moet wortelopdruk zo veel mogelijk vermeden worden, omdat knikken en hobbels in de riolering de doorstroming belemmeren.
1.9 Bij riolering mag de doorstroomcapaciteit niet worden beperkt
Het rioleringsstelsel kan uitsluitend optimaal functioneren als alle onderdelen open zijn en over hun volledige afvoercapaciteit kunnen beschikken.
Eis 1: Tracé en omgeving bieden een ongestoorde ligging zonder nadelige invloed van boomwortels. Anders is er risico op leidingbreuk.
2 Kabels, leidingen en riolering volgen een zo kort mogelijk tracé
Kabels, leidingen en riolering dienen een zo kort mogelijk tracé te volgen, met zo min mogelijk koppelingen, verbindingen en bochten. Dat komt een ongestoorde levering ten goede, omdat korte en rechte tracés in het algemeen de minste weerstand en verlies opleveren.
Bovendien bespaart dat op kosten bij aanleg – minder hulpstukken en minder werk aan verbindingen – en bij onderhoud omdat verbindingen kwetsbaar zijn. Langere tracés maken het ondergrondse net ook nog minder overzichtelijk.
Bovendien bespaart dat op kosten bij aanleg – minder hulpstukken en minder werk aan verbindingen – en bij onderhoud omdat verbindingen kwetsbaar zijn. Langere tracés maken het ondergrondse net ook nog minder overzichtelijk.
Bij riolering ligt de hoofdbuis over het algemeen al zo kort en recht mogelijk. Ook het tracé voor de huisaansluiting tussen hoofdbuis en woning of bedrijf moet zo kort mogelijk zijn. Hoe korter en rechter, hoe beter de afvoer en goedkoper de aanleg en het onderhoud.
3 Kabels, leidingen en riolering zijn goed bereikbaar
Kabels, leidingen en riolering moeten voldoende bereikbaar zijn voor controle, inspectie, regulier onderhoud en om storingen te verhelpen. De mate waarin ze bereikbaar moeten zijn, hangt onder meer af van hun functie. Speciale voorzieningen, zoals afsluiters en inspectieputten, moeten vanaf het maaiveld eenvoudig toegankelijk zijn. Voor zowel kabels, leidingen als riolering is bereikbaarheid vereist om nieuwe aansluitingen te kunnen realiseren.
Er behoort voldoende ruimte te zijn om een sleuf of cunet uit te graven. Bovendien mogen overige ondergrondse objecten geen schade oplopen bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden, of tot andere problemen leiden. De benodigde graaf- en werkruimte is afhankelijk van de gekozen techniek.
Er behoort voldoende ruimte te zijn om een sleuf of cunet uit te graven. Bovendien mogen overige ondergrondse objecten geen schade oplopen bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden, of tot andere problemen leiden. De benodigde graaf- en werkruimte is afhankelijk van de gekozen techniek.
Kabels en leidingen worden bij voorkeur aangelegd onder een openbaar trottoir – eventueel fietspad of groenstrook – bestaande uit een elementenverharding plus onderliggend zandbed. Op deze plekken ondervindt het verkeer minder hinder van de werkzaamheden aan de kabels en leidingen.
Eis 3: Bereikbaarheid is essentieel. Bomen op een leidingentracé kunnen de toegang ernstig hinderen.
4 Tracé en omgeving van masten en bovengrondse kabels zijn vrij van verstoring
Bovengrondse kabels mogen geen overlast van takken van bomen ondervinden. Ook mag de boom geen schade veroorzaken als deze omwaait.