II.2. Wegconstructies
II.2.1 Functie wegconstructie en soorten wegen
Het begrip wegconstructie omvat de volledige vanaf de – eventueel eerst afgegraven – natuurlijke ondergrond tot en met de toplaag voor het verkeer. Het aantal lagen en het volumemateriaal dat zich tussen beide bevindt, kan sterk variëren. Bij een industrieweg voor zwaar verkeer in een veengebied is een wegconstructie van 1,5 m ternauwernood dik genoeg, terwijl voor een wandelpad een laag schelpen van 0,15 m al kan genoeg kan zijn.
De belangrijkste functie van een wegconstructie is uiteraard een voor langere tijd doeltreffende en veilige afwikkeling van het verkeer. Dit betekent vooral dat de verharding voldoende breed, vlak en stroef moet zijn en blijven. Zoiets vereist voldoende ruimte voor de wegconstructie in het dwarsprofiel en een blijvend draagkrachtige opbouw. Het ruimtebeslag en de opbouw worden afgestemd op de verkeerscapaciteit en de eigenschappen van de natuurlijke ondergrond. Een bijkomende eis betreft een geringe onderhoudsgevoeligheid. Dat scheelt zowel in de kosten als in hinder als gevolg van herstelwerkzaamheden.
De belangrijkste functie van een wegconstructie is uiteraard een voor langere tijd doeltreffende en veilige afwikkeling van het verkeer. Dit betekent vooral dat de verharding voldoende breed, vlak en stroef moet zijn en blijven. Zoiets vereist voldoende ruimte voor de wegconstructie in het dwarsprofiel en een blijvend draagkrachtige opbouw. Het ruimtebeslag en de opbouw worden afgestemd op de verkeerscapaciteit en de eigenschappen van de natuurlijke ondergrond. Een bijkomende eis betreft een geringe onderhoudsgevoeligheid. Dat scheelt zowel in de kosten als in hinder als gevolg van herstelwerkzaamheden.
In veel gevallen bedraagt de ontwerplevensduur dertig jaar of langer. Een minimum aan noodzakelijk onderhoud vormt daarbij het uitgangspunt.
Wegen kunnen op vele manieren worden ingedeeld. De belangrijkste zijn die naar functie, naar gebruik en naar type verharding. Voor de functie maakt deze richtlijn gebruik van de indeling vanuit het concept Duurzaam Veilig. Hier is een onderscheid gemaakt in erftoegangswegen (ETW), gebiedsontsluitingswegen (GOW) en stroomwegen (SW). Het gebruik en de uitvoering moeten bij de functie aansluiten.
Voor het type verharding bestaat een onderscheid tussen asfaltwegen, betonwegen en wegen met elementenverharding. Per type zijn vele varianten mogelijk. Ook kunnen de wegconstructies per verhardingstype – binnen zekere marges – op verschillende manieren worden opgebouwd.
Tussen functie, gebruik en verhardingstype is een duidelijk verband. Naarmate de functie belangrijker is, is het gebruik intensiever. Dan komen gesloten verhardingen (asfalt en beton) meer in aanmerking. In omgekeerde richting ligt toepassing van open verhardingen (elementen) meer voor de hand. Tabel 14 geeft de relaties weer tussen functie, gebruik en verhardingstypen. Daarbij zijn ook de maximumsnelheid en het aantal motorvoertuig- passages per etmaal aangegeven. De verhardingsbreedtes hebben betrekking op de rijbaan. De onderliggende opbouw kan aanmerkelijk breder zijn.Natuursteenverharding met aparte stroken voor de boombeplanting
Tabel 14. Relatie gebruiksfunctie en gebruikelijke type verharding
| Wegtype | Wegtype ‘Wegbeheer’ | Indicatie gebruiksfunctie | Wegtype Duurzaam Veilig’ | Maximum snelheid | Motorvoertuigen peretmaal (doorsnede) | Verhardingsbreedte(m) | Type verharding | ||
| gesloten | open | ||||||||
| asfalt (cm) | beton (cm) | elementen (cm) | |||||||
| 1 | Hoofdwegen(net) | Autosnelweg | SW | 120 | 5.000-500.000 | ≥12,45 | 50 | 50 | |
| Autoweg (2x2 rijstroken) | SW | 100 | 5.000-500.000 | 12,45 | 50 | 50 | |||
| Stadsautoweg (1x2) | SW | 100 | 5.000-500.000 | 6,25 | 50 | 50 | |||
| 2 | Zwaar belaste wegen | Stadsautoweg | SW/GOW | 100/80 | 5.000-100.000 | 6,25 | 50 | 50 | |
| Rotonde R > 50 m | GOW | 5.000-100.000 | 7,20-7,50 | 50 | 50 | ||||
| Provinciale weg | GOW | 80 | 5.000-100.000 | 7,20-7,50 | 50 | 50 | |||
| Kruispunt, opstelstrook | GOW/ETW | 5.000-100.000 | 2,20- | 50 | 50 | ||||
| Bedrijfsverharding, vliegveld | geen | n.v.t. | 5.000-100.000 | - | 60 | 60 | |||
| Openbaar bedrijventerrein | GOW/ETW | 50/30 | 5.000-100.000 | - | 60 | 60 | 80 | ||
| 3 | Gemiddeld belaste wegen | Waterschapsweg (druk) | ETW/GOW | 60/80 | 500-50.000 | 6,00-6,50 | 45 | 45 | |
| Stadsontsluitingsweg | GOW | 50 | 500-50.000 | 6,00-7,50 | 45 | 45 | |||
| Busbaan (2 richtingen) | GOW | 50/80 | 500-50.000 | 6,00-7,00 | 45 | 45 | |||
| Industrieweg | GOW | 50 | 500-50.000 | 6,00-7,00 | 45 | 45 | 50 | ||
| Rotonde R < 50 m | GOW | 500-50.000 | 5,00-5,25 | 45 | 45 | ||||
| 4 | Licht belaste wegen | Waterschapsweg (rustig) | ETW | 60 | 100-10.000 | 4,50-6,00 | 40 | 45 | 50 |
| Buurtontsluitingsweg | GOW | 50 | 100-10.000 | 6,50-7,50 | 40 | 50 | |||
| Parallelweg (2 richtingen) | ETW | 60 | 100-10.000 | 5,50-7,00 | 40 | 40 | |||
| Landbouwweg | ETW | 60 | 100-10.000 | 3,50-4,50 | 40 | ||||
| Bushalte, busstation | GOW/ETW | 100-10.000 | 2,5- | 40 | 45 | 50 | |||
| 5 | Wegen in woongebied | Woonstraat | ETW | 30 | 50-5.000 | 3,00-5,00 | 35 | 35 | |
| Woonerf | ETW | stapvoets | 50-5.000 | - | 35 | 35 | |||
| Parkeerterrein | ETW | 30 | 50-5.000 | - | 30 | 30 | |||
| Parkeerstrook | ETW | 30 | 50-5.000 | 2,00-3,50 | 30 | ||||
| Wijkstraat | GOW | 30 | 50-5.000 | 3,00-3,50 | 30 | 30 | |||
| 6 | Wegen in verblijfsgebied | Winkelerf | ETW | 30 | 10-100 | - | 35 | ||
| Plein | ETW | 10-100 | - | 35 | |||||
| Voetpad (vrijliggend) | n.v.t. | 5 | 10-100 | 1,20-2,50 | 30 | ||||
| Trottoir | n.v.t. | 5 | 10-100 | 1,20-1,50 | 30 | ||||
| Recreatieve verharding | n.v.t. | n.v.t. | 1-10 | - | 25 | ||||
| 7 | Fietspaden | Fietspad (aanliggend) | n.v.t. | 30 | 1-10 | 1,50-2,00 | 30 | 35 | 30 |
| Fietspad (vrijliggend) | n.v.t. | 30 | 1-10 | 1,50-3,50 | 30 | 35 | 30 | ||
| Opmerkingen: In de kolom ‘Duurzaam Veilig’ zijn de wegtypen aan gegeven met SW, GOW en ETW voor resprctievelijk stroom wegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Met recreatieve verhardingen worden bedoeld publieke sportvoorzieningen, bijvoorbeeld basketbalveldjes, niet bestemd voor competities (daarvoor gelden NOC*NSF eisen). Bron: de tabel is een bewerkte versie van tabel 1 van CROW-publicatie 220, ‘Handleiding cementbetonverhardingen – Basisconstructies’ [19] | |||||||||
II.2.2 Opbouw van de wegconstructie
Een wegconstructie wordt aangelegd op de natuurlijke en eventueel verbeterde ondergrond en bestaat uit een aardebaan plus verharding. Dit geheel moet de verkeerslasten probleemloos kunnen opvangen en de belastingen afdragen naar de bodem. Daarbij mag de constructie niet vervormen. Om de kans op problemen te minimaliseren, worden veel eisen gesteld ten aanzien van:
- de opbouw van de constructie;
- de afzonderlijke lagen en materialen;
- de werkwijze bij aanleg.
Deze eisen zijn onder andere opgenomen in de Standaard RAW Bepalingen 2010 [1], hoofdstukken 28, 30 en 31 (onder meer de artikelen 30.26 bitumineuze opper vlaktebehandelingen; 30.36 emulsieasfaltbeton; 30.46 repavemethode; 30.56 remixplusmethode; 30.66 remixmethode; 31.26 asfaltverhardingen; 31.36 betonverhardingen en 31.46 straatwerk).
De kwaliteit van de natuurlijke ondergrond – in het bijzonder de draagkracht – bepaalt samen met de verwachte verkeersbelasting in belangrijke mate de opbouw van de wegconstructie. Bij zwaardere verkeersbelasting en een minder draagkrachtige natuurlijke ondergrond kan de aardebaan – naast een zandbed – een grondverbetering en/of ophoging omvatten. Bij een geringe verkeersbelasting kan alleen een zandbed voldoende zijn. De ondergrond bepaalt mede de dikte van de verharding. Het is van groot belang dat de aardebaan (grondvervanging, ophoging en zandbed) goed en gelijkmatig wordt verdicht. Alleen dan treedt geen ongelijkmatige naverdichting op onder invloed van het verkeer. Die kan immers tot onvlakheid van de verharding leiden.
Fundering
Het onderste deel van de wegconstructie wordt gevormd door een fundering. Er zijn ongebonden funderingen, die onder meer bestaan uit steenmengsels van puinbrekers (menggranulaat, betongranulaat) of slakkenzand. Als aan los materiaal – puingranulaat en asfaltgranulaat – een bindmiddel (cement, bitumenemulsie) wordt toegevoegd, ontstaat een meer draagkrachtige, gebonden fundering. Hierdoor is het mogelijk om het bovenste gedeelte van de verharding dunner uit te voeren. Om voldoende draagvermogen te bieden, is de fundering altijd iets breder dan de verharding die daar bovenop komt.
Elementenverharding – goed waterdoorlatend
Een gebonden fundering is stijver en meer draagkrachtig dan een ongebonden fundering. Steenachtige funderingen worden daarom binnenstedelijk vaker toegepast. Kabels en leidingen zijn in een gebonden fundering echter wel lastiger toegankelijk.
Boven de fundering bevinden zich een of meer lagen die de verharding completeren. Bij betonwegen rust de betonlaag op de fundering. Daarboven kan een deklaag van beton of een ander materiaal worden aangebracht.
Bij asfaltwegen wordt vaak eerst een vrij dikke onderlaag aangebracht, eventueel een tussenlaag en tot slot de deklaag.
Bij wegen met elementenverharding wordt meestal een steenachtige fundering van menggranulaat aangebracht. Hierop komt een ‘straatlaag’ van zand of split waar de bestrating op komt.Bij licht belaste wegen ontbreekt soms een afzonderlijke funderingslaag. De elementen worden direct op het zandbed aangebracht.
Op beperkte schaal komen nog steeds onverharde en halfverharde wegen voor. In het eerste geval rijdt het verkeer doorgaans over de natuurlijke ondergrond. In het tweede geval is op de natuurlijke ondergrond een ongebonden verharding aangebracht van bijvoorbeeld grind, steenslag, mijnsteen of schelpen.
Hoe dieper, hoe breder
Met het oog op werkzaamheden langs de weg en het planten van bomen is het goed te weten dat de wegconstructie van boven naar beneden steeds breder wordt. Als vuistregel geldt dat de constructie vanaf de bovenkant van de verharding ‘uitkraagt’ onder een hoek van 45 graden.
Grondwater
Een weg moet een minimum drooglegging hebben voor voldoende draagkracht en ter voorkoming van vorstschade. De afstand van de bovenzijde van de weg tot de gemiddelde hoogste grondwaterstand bedraagt ten minste 0,6 m.
Kantopsluiting
Kantopsluiting is een constructie die hoofdzakelijk wordt toegepast bij elementenverharding. Ze bestaat uit (betonnen) opsluitbanden of trottoirbanden van circa 0,20 tot 0,25 m hoog. Inclusief een eventuele steunrug met stel- specie is de hoogte maximaal 0,4 m. Dit geheel vormt de grens tussen de verhardingselementen en de berm. De constructie is bedoeld om de verharding zijdelingse steun te geven en daarmee te voorkomen dat de verharding, onder invloed van het verkeer, verzakt en elementen de berm in worden gedrukt.
Waterdoorlatendheid
Bij gesloten verhardingen van asfalt en beton stroomt het hemelwater zijwaarts af. Bij zoab (zeer open asfaltbeton) verloopt de afvoer via de onderlaag. Het water stroomt vervolgens via goten en kolken naar het riool. Het is ook mogelijk dat het ter plekke in de bodem inzakt. De grond naast het weglichaam wordt dan relatief vochtig waardoor boomwortelgroei wordt bevorderd. Het weglichaam zelf blijft juist grotendeels droog en is daarmee minder aantrekkelijk voor wortelgroei.
Bij open verhardingen van elementen trekt een deel van het hemelwater via de voegen de wegconstructie in. Daarbij neemt het water zowel verontreinigingen als voedingsstoffen mee. Het zandbed en de verdere ondergrond zijn dan relatief vochtig en voedselrijk en daarmee aantrekkelijk voor wortelgroei, tenzij de grond op langere termijn ‘dichtslaat’.Tweelaags zoab
Tabel 15. Hoeveelheid vocht dat infiltreert bij verschillende soorten verharding
| Bovenlaag | Maten lxbxh | % voeg 1 ) | Infiltratiesnelheid(mm/u) | % infiltratie1 mei/1 okt | hoeveelheid infiltratie 1 mei/1 okt (mm) 2) |
| warm asfalt | ×10 | 0,0 | 0,0 | 0 | 0 |
| tegels | 60 × 60 × 7 | 0,5 | 2,3 | 61 | 215 |
| tegels | 60 × 40 × 7 | 0,7 | 3,2 | 69 | 240 |
| tegels | 30 × 30 × 5 | 1,1 | 5,0 | 79 | 275 |
| klinkers (b.b.k.) | 20 × 10 × 10 | 4,0 | 8,0 | 94 | 330 |
| klinkers (w.f.) | 20 × 5 × 10 | 7,7 | 34,7 | 95 | 335 |
| ventilatietegels | 60 × 60 × 7 | 1,8 | 8,1 | 86 | 300 |
| ventilatietegels | 30 × 30 × 5 | 5,6 | 25,2 | 95 | 335 |
| stooftegels | 30 × 30 × 6 | 11,9 | 53,6 | 95 | 330 |
| graskeien | 20 × 20 × 10 | 30,0 | 70,0 | 95 | 330 |
| kinderkopjes | 15 × 15 × 15 | 6,0 | 27,0 | 95 | 330 |
| poreuze tegels - nieuw - na 4 jaar | 30 × 30 × 3,5 | >1000 1 | 100 37 | 350 130 350 | |
| open grond/gravel | >>20 | 100 | |||
| zandgrond | 40-80 | ||||
| kleigrond | 30-50 | ||||
| 1) gemeten voeggrootte, gedeeld door gemeten oppervlak 2) 350 mm x % infiltratie, afgerond op veelvouden van 5 Bron: Stadsbomenvademecum deel 2A 'Groeiplaatsaspecten' [17] | |||||