IV.3 Enkele richtlijnen voor het ontwerp
Onderbouw
De duurzaamheid van straatwerk wordt vooral bepaald door de onderbouw. Hiervoor zijn vereist een goede opbouw met eventuele grondverbetering, een fundering overeenkomstig het voorgeschreven profiel en een straatlaag met beperkte variatie in dikte. Bij het ontwerp is de drainerende, maar ook de waterafvoerende capaciteit van de constructie een belangrijk aandachtspunt.
Variatie in steendikte
Gestreefd moet worden naar een ontwerp met elementen van gelijke dikte. Uiteraard wordt veelvuldig gebruikgemaakt van verschillende materialen. Waar mogelijk moet de steendikte worden afgestemd, om te voorkomen dat de variatie in de straatlaag moet worden gevonden.
Richtlijnen keidikte en afmetingen
Keien van natuursteen in een ongebonden constructie in buitentoepassing moeten een dikte van minimaal 60 mm hebben.
Gekliefde keien met een dikte van 120 mm of meer moeten, evenals bewerkte keien, in lagen worden aangebracht; gekliefde keien met een dikte kleiner dan 120 mm moeten worden aangebracht in segmentverband. In de afzonderlijke lagen of bogen moeten keien met een zo gelijk mogelijke breedte worden toegepast (FGSV).
De keien van natuursteen moeten met geringe voegbreedte worden aangebracht, maar mogen niet ‘klemmend’, dat wil zeggen strak tegen elkaar, worden aangebracht (FGSV).
Richtlijnen tegeldikte en afmetingen
Bestratingen met rechthoekige of vierkante tegels van natuursteen, mogen alleen door motorvoertuigen worden bereden wanneer de lengte-breedteverhouding kleiner is dan 1,5 en de lengte-dikteverhouding minder dan 4,0 bedraagt. Dit geldt voor tegels met een maximale lengte van 320 mm en een middelzware verkeersbelasting (waaronder bedienend vrachtverkeer in een winkelstraat) (FGSV).
Bij de toepassing van tegels met een lengte van meer dan 320 mm moet de lengte-dikteverhouding kleiner zijn dan 2,0 en moet de vereiste breukbelasting ten minste 57,5 kN bedragen (EN1).
Straatlaag
Het oppervlak van de afgewerkte straatlaag moet overeenkomstig het profiel van het toekomstige bestratingsoppervlak worden afgewerkt. De dikte van de verdichte en onder profiel afgewerkte straatlaag bedraagt 40 mm tot 60 mm voor natuursteenkeien groot formaat, 30 mm tot 50 mm voor kleinplaveisel en natuursteentegels en 30 mm tot 40 mm voor zogenaamd mozaïekplaveisel (FGSV).
Voor een straatlaag op een ongebonden fundering en onder een natuursteenverharding kunnen als materialen worden gebruikt: straatzand, brekerzand, steenslag 1/3 tot 4/8 of een homogeen mengsel van brekerzand en steenslag 0/5 of 0/8. Voor een straatlaag op een gebonden fundering en onder een natuursteenverharding kan een steenslagmortel (gebonden steenslag 2/5 tot 4/8 mm, al of niet gemodificeerd) worden gebruikt (CROW).
Filterwetten
Om op het grensvlak tussen granulaire materialen vermenging van beide materialen te voorkomen, moeten de ‘filterwetten’ worden gerespecteerd. Naverdichting en kwaliteitsverlies van de verharding is immers het gevolg. Uiteraard heeft die vermenging ook invloed op de drainagecapaciteit en afvoercapaciteit van de constructie. Bij de opbouw van veel standaardconstructies wordt voldaan aan die filterwetten. Door toepassing van waterdoorlatende constructies, grovere steenmengsels of afwijkende graderingen bij natuursteenverhardingen, zijn de filterwetten weer punt van aandacht voor de ontwerper.
Straatlaag op ongebonden steenfundering
In verband met de vereiste filterstabiliteit van de bestratingsconstructie en om te voorkomen dat twee lagen granulair materiaal onder invloed van verkeer in hun grensvlak vermengen, moet de korrelverdeling van de beide materialen aan de volgende eisen voldoen:
hierbij zijn d15, d50 en d85 de diameters van de denkbeeldige zeven waar respectievelijk 15%, 50% en 85% van het materiaal door valt (CROW).
Ongebonden steenfundering op zandbedIn verband met de vereiste filterstabiliteit van de bestratingsconstructie en om te voorkomen dat twee lagen granulair materiaal onder invloed van verkeer in hun grensvlak vermengen, moet de korrelverdeling van de beide materialen aan de volgende eisen voldoen:
hierbij zijn d15, d50 en d85 de diameters van de denkbeeldige zeven waar respectievelijk 15%, 50% en 85% van het materiaal door valt (CROW).
Voegen
Bij een bestrating van natuursteen op een ongebonden fundering dienen in het algemeen geen starre voegen te worden aangebracht. Maar er zijn wel uitzonderingen. Het onderscheid in ongebonden en gebonden constructies is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Er zijn immers allerlei constructies, variërend van elementen op zand, een ongebonden fundering, een licht of sterker gebonden fundering tot een gebonden fundering van schraal beton. Ook kan een ongebonden/licht gebonden constructie op een nagenoeg uitgewerkte, goede ondergrond liggen, waardoor niet of nauwelijks meer zetting(sverschil) of naverdichting optreedt (en bijvoorbeeld gebonden voegen geen onderhoudsproblemen opleveren).
Bij een bestrating van natuursteen op een gebonden fundering of een bouwkundige drager moeten uitzetvoegen worden toegepast op een onderlinge afstand van maximaal 8 m. Bovendien moeten uitzetvoegen in de gebonden natuursteenbestrating worden toegepast in verticale zin, en wel in het verlengde van dilatatievoegen in bouwwerken of betonfunderingen waarop de gebonden natuursteenbestrating is aangebracht. Dit geldt eveneens voor aansluitingen op bouwwerken, wanden of trapconstructies en dergelijke, en zowel in horizontale als verticale zin (CROW).
De gradering van het voegmateriaal moet worden afgestemd op de aanwezige voegbreedte. De maximale korrelgrootte van granulair voegmateriaal moet 1 tot 2 mm kleiner zijn dan de breedte van de voeg. Bij brede voegen dient geen fijn zand te worden toegepast.
Straatverband
Bij toepassing van boogvormige bestratingsverbanden moeten maten worden gespecificeerd van boogvorm en onderlinge afstand van de bogen (CROW).