2.5 Op- en bijstellen Ingrijpmaatstaven Instandhouding (per vakgebied)
De doelen vanuit het Beheerkader Instandhouding worden omgezet naar ingrijpmaatstaven instandhouding. Bijbehorende prestatie-eisen geven aan waaraan het groen minimaal moet voldoen.
De technische prestatie-eisen die van toepassing zijn, worden gesplitst in:
- Verantwoord omgaan met gemeenschapsgeld (voorkomen kapitaalvernietiging, duurzame instandhouding)
- Voldoen aan wettelijke verplichtingen (borgen veiligheid, zorgplicht)
De ingrijpmaatstaven worden afgeleid uit prestatie-eisen waarbij zoveel mogelijk gebruik kan worden gemaakt van een tweetal systematieken zoals:
- Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2018, Standaardkwaliteitsniveaus voor onderhoud.
- Technische inspectie (conditiemeting) >> is nog geen landelijke standaard voor, de NEN-2767 is momenteel nog in ontwikkeling. In deze groenbeheersystematiek is op basis van deze ontwikkelingen alvast een voorloper van deze NEN-2767 uitgewerkt die vooralsnog als leidraad kan dienen voor de technische inspectie van groen.
Onderstaand is een korte toelichting gegeven op de systematieken en bijbehorende ingrijpmaatstaven.
1. Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2013, Standaardkwaliteitsniveaus voor onderhoud
De kwaliteitscatalogus is een landelijke norm/richtlijn ontwikkeld door het CROW. Met behulp van foto’s onderbouwd met meetbare criteria biedt de kwaliteitssystematiek een indeling van vijf kwaliteitsniveaus, variërend gaande van zeer hoog tot zeer laag.
In onderstaand schema zijn deze kwaliteitsniveaus weergegeven:
Over het algemeen worden bij de beoordeling alle vijf niveaus in de openbare ruimte aangetroffen. Echter, alleen de niveaus A, B en C komen meestal in aanmerking bij het bepalen van het ambitieniveau en het voorschrijven van een niveau in een opdracht.
| Code | Waardering | Omschrijving |
| A+ | Zeer goed | Nagenoeg ongeschonden (opleveringskwaliteit) |
| A | Goed | Mooi en comfortabel |
| B | Voldoende | Functioneel |
| C | Matig | Onrustig beeld, discomfort of enige vorm van hinder |
| D | Te slecht/ achterstallig | Kapitaalvernietiging, uitlokking van vernieling, functieverlies, juridische aansprakelijkstelling of sociale onveiligheid |
| Bron: Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2013, landelijke standaard voor visuele onderhoudskwaliteit | ||
Niveau D (ondergrens) is bedoeld om te kunnen meten dat niveau C niet is gehaald. Dit niveau D kan dus niet als eis worden gesteld, omdat minimaal kwaliteitsniveau C moet worden gehaald om kapitaalvernietiging en functieverlies te voorkomen.
Met behulp van onderstaande schaalbalk wordt dit grafisch aangegeven. De zwarte lijn tussen de verschillende kwaliteitsniveaus komt overeen met de beschreven ondergrens (ingrijpmoment).
| A+ | A | B | C | D |
| Zeer goed | Goed | Voldoende | Matig | Achterstallig |
Bij het laagste niveau (D = te slecht/achterstallig) is sprake van kapitaalvernietiging en functieverlies. Een verwaarlozing van een beheertype leidt daarnaast ook tot andere negatieve effecten zoals vervuiling en onveiligheid en aansprakelijkheid.
De technische levensduur wordt hierdoor in enkele gevallen verkort, waardoor de vervangingskosten omhooggaan. Dit betekent extra vervangingsbehoefte tegen extra hoge kosten.
Kortom; de ingrijpmaatstaven voor instandhouding zijn gebaseerd op de ondergrens van kwaliteitsniveau C (ingrijpmoment). Deze ondergrens is generiek en geldt voor het totale areaal.
Het betreft alleen de eisen ten aanzien van de technische kwaliteit omdat de prestatie-eisen ten aanzien van de beeldkwaliteit (bijvoorbeeld zwerfvuil en hondenpoep) niet van invloed zijn op de instandhouding.
Het betreft alleen de eisen ten aanzien van de technische kwaliteit omdat de prestatie-eisen ten aanzien van de beeldkwaliteit (bijvoorbeeld zwerfvuil en hondenpoep) niet van invloed zijn op de instandhouding.
De beeldkwaliteit van het areaal conform genoemde kwaliteitsniveaus wordt door middel van een schouw inzichtelijk gemaakt. Een toelichting op het schouwen van de beeldkwaliteit is bij processtap 6 ‘bouwen, onderhouden en dienstverlening’, par. 6.5 weergegeven.
Onderstaand zijn de desbetreffende technische schaalbalken uit de Kwaliteitscatalogus openbare ruimte (KOR) per hoofdgroep weergegeven:
| Object | Deelobject | Kwaliteitscriterium (kwaliteitsniveau C) |
| Beplanting | algemeen | beschadigingonkruid |
| bloembak wisselperken | kaal oppervlak | |
| bodembedekkers heesters struikrozen | kaal oppervlak snoeibeeld | |
| bosplantsoen* | snoeibeeld | |
| haag | gaten in haag | |
| vaste planten | sluiting | |
| Boom* | algemeen | beschadiging levenskrachtig |
| knotboom leiboom niet vrij uitgroeiende boom vrij uitgroeiende boom | snoeibeeld | |
| Gras | algemeen | beschadiging kaal oppervlak molshopen |
| gazon | grashoogte onkruid | |
| * = Voor bomen en (bomen in) bosplantsoen zijn aanvullend de veiligheidseisen uit de methodiek boomveiligheidscontrole (BVC) van toepassing op de ingrijpmaatstaven voor instandhouding. | ||
Deze prestatie-eisen liggen veelal hoger dan de bovenstaande ingrijpmaatstaven voor instandhouding.
Het betreft in dit geval geen ingrijpmaatstaven om kapitaalsvernietiging voor groen te voorkomen, maar om aan de veiligheidseisen te voldoen. Voor groen heeft dit grotendeels betrekking op minimale prestatie-eisen om de verkeersveiligheid te garanderen.
Deze ingrijpmaatstaven zijn niet generiek maar gekoppeld aan locaties en situaties waarbij wordt beschreven wanneer ingegrepen moet worden om aan de zorgplicht te voldoen. Onderstaand is een voorbeeld opgenomen van kwaliteitscriteria gekoppeld aan ingrijpmaatstaven. Hierbij worden waar mogelijk kwaliteitscriteria en ingrijpmaatstaven uit de Kwaliteitscatalogus openbare ruimte (KOR) toegepast, aangevuld met ingrijpmaatstaven welke bij de totstandkoming van deze systematiek zijn ontwikkeld.
Onderstaand is per object en deelobject een voorbeeld uitgewerkt van kwaliteitscriteria en ingrijpmaatstaven.
| Object | Deelobject | Kwaliteitscriterium + ingrijpmaatstaf* | Locatie/situatie |
| Beplanting | Bodembedekkers Bosplantsoen* Heesters Struikrozen Haag | Overhangende takken mogen vrije doorgang niet belemmeren. Vrije doorgang min. 2/3 van de breedte v/d weg/pad (geen landelijke richtlijn/norm) | Bij wegen, fiets- en voetpaden (passeren medeweggebruikers) ten behoeve van verkeersveiligheid |
| Bodembedekkers Heesters Struikrozen Haag | Hoogte beplanting mag het uitzicht niet belemmeren. Hoogte beplanting tot circa 0,70 m (geen landelijke richtlijn/norm) tenzij anders bepaald vanuit Natuurbeschermingswet/functie | Bij kruisingen, oversteeklocaties en andere onoverzichtelijke situaties ten behoeve van verkeersveiligheid | |
| Boom* | Boom | Laaghangende takken mogen vrije doorgang niet belemmeren. Conform norm KOR B: Profiel van vrije doorgang bij wegen (≥4,5 m.), voet- en fietspaden (≥2,5 m.) | Bij bomen langs wegen en voet- en fietspaden |
| Boom | Stamschot mag het uitzicht niet belemmeren. Conform norm KOR, B: Bedekking ≤ 25%, gem. lengte ≤ 50 cm, max lengte ≤ 70 cm | Bij bomen langs wegen en voet- en fietspaden | |
| Boom (indirect) | Wortelopdruk in verharding mogen geen verkeersonveilige situaties opleveren.Conform norm KOR, B:Mate opdruk ≤ 5 cm | Bij bomen langs wegen en voet- en fietspaden ten behoeve van verkeersveiligheid | |
| Gras | Ruw gras | Hoogte ruw gras of opslag mag het uitzicht niet belemmeren Conform norm KOR, B: Hoogte ruw gras ≤ 20 cm (aangepaste landelijke richtlijn/norm, is ≤ 40 cm) | Bij bermen langs wegen en voet- en fietspaden (ca. 0,5-1,0 m. langs verharding) en bij kruisingen en oversteeklocaties ten behoeve van verkeersveiligheid |
| Ruw gras Gazon | Hoogte berm ten opzichte van verharding mag geen verkeersonveilige situaties opleveren.Hoogteverschil ten opzichte van verharding ≤ 5 cm | Bij bermen langs wegen en voet- en fietspaden | |
| Gazon | Oneffenheden mogen geen onveilige situaties opleveren Conform norm KOR, B: Hoogteverschil oneffenheden grasmat ≤ 5 cm per 100 m 2 | Op speellocaties, trapvelden en andere intensief gebruikte speellocaties | |
| * = Voor bomen en (bomen in) bosplantsoen zijn aanvullend de veiligheidseisen uit de methodiek boomveiligheidscontrole (BVC) van toepassing op de ingrijpmaatstaven voor instandhouding. | |||
2. Technische inspectie (conditiemeting)
Om de kwaliteit van het openbaar groen ook op langere termijn optimaal te kunnen waarborgen, is het van belang inzicht te hebben in de technische staat van het openbaar groen zodat hierop actie kan worden ondernomen.
Doel van de inspectie is het lokaliseren van groenvakken waar herstel de komende periode nodig is, zodat een kostenberekening en planning kan worden gemaakt.
Door het uitvoeren van een technische inspectie moet een gekwantificeerd beeld ontstaan van de technische kwaliteit van het groen en de middelen die nodig zijn om een bepaalde technisch kwaliteit te bereiken.
Door het uitvoeren van een technische inspectie moet een gekwantificeerd beeld ontstaan van de technische kwaliteit van het groen en de middelen die nodig zijn om een bepaalde technisch kwaliteit te bereiken.
Momenteel wordt gewerkt aan een landelijke standaard voor de technische inspectie van groen (NEN-2767) In deze groenbeheersystematiek is op basis van deze ontwikkelingen alvast een voorloper van deze NEN-2767 uitgewerkt die vooralsnog als basis kan dienen voor de technische inspectie van groen.
Deze technische inspectie is een functionele conditiemeting die gebaseerd is op prestatie en risicosturing waarbij veilig en kostenefficiënt in stand houden het primaire uitgangspunt vormt.
Als de technische kwaliteit niet in orde is, dan is het groen bijvoorbeeld vervallen (niet vitaal), slecht gesloten of overwoekerd met onkruiden.
Als de technische kwaliteit niet in orde is, dan is het groen bijvoorbeeld vervallen (niet vitaal), slecht gesloten of overwoekerd met onkruiden.
De technische staat van kapitaalgoederen wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de volgende drie thema’s:
- Veiligheid (gebreken in de voorziening mogen niet leiden tot gevaar voor de gebruikers).
- Duurzaamheid (de voorziening moet duurzaam in stand worden gehouden).
- Functionaliteit (het object moet de functie waarvoor het is aangelegd behouden).
Bij de technische inspectie wordt gekeken welke maatregelen (levensverlengend) noodzakelijk zijn om het desbetreffende element duurzaam en functioneel in stand te houden.
Deze inspectie richt zich voornamelijk op schades/gebreken aan de beplantingen en grassen op basis van de volgende punten:
Deze inspectie richt zich voornamelijk op schades/gebreken aan de beplantingen en grassen op basis van de volgende punten:
| Gebreken | Beheertype |
| (Verkeers) onveilig groen | alle |
| geslotenheid beplanting/kale plekken | beplanting/hagen |
| uitgroei_overkoken | beplanting/hagen |
| overgroeiing woekeronkruid beplanting/invasieve exoten | beplanting/hagen |
| bedekkingsgraad bosplantsoen (met uitzondering van ecologisch beheer) | Beplanting |
| geslotenheid gras | gras/oevers |
| vlakheid gras | Gras |
| soortenrijkdom gras | Gras (ecologisch beheerd >> bijvoorbeeld bloemenmengstel) |
| berm te hoog | Gras |
| berm te laag | Gras |
| overgroeiing woekeronkruid /invasieve exoten gras | gras/oevers |
| soortenrijkdom | Gras (ecologisch beheerd >> bijvoorbeeld bloemenmengstel) |
Bomen worden vooralsnog buiten beschouwing gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar de boomveiligheidscontrole (BVC)/Handboek bomen.
De technische inspectie wordt elke drie tot vijf jaar herhaald.
Bij processtap 4 ‘plannen per vakgebied’, par. 4.9 (globale inspectie – groot onderhoud) is de aanpak en werkwijze voor de technische inspectie verder uitgewerkt.