Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek parkeren
Deze tekst is gepubliceerd op 03-10-12

Organisatie van het onderhoud

Als het onderhoud niet door de eigen organisatie kan gebeuren of als er een voorkeur is om het door anderen te laten doen, zijn er verschillende mogelijkheden om daarvoor contracten af te sluiten. In tabel 29 staan enkele mogelijkheden.
Tabel 29. Mogelijke contractvormen voor onderhoud (bron: Praktijkboek parkeergarages)
ContractvormOmschrijving
CapaciteitscontractMan voor x uur
InspanningscontractReparatie installatie x
Resultaatgericht contractInstallatie x bevindt zich op of boven conditieniveau y
Prestatiegerichte contractenInstallatie x functioneert conform prestatie z uit ontwerp (beschikbaarheid, betrouwbaarheid, comfort, etc.)
Outsourcing ownershipHierbij worden de verantwoordelijkheid en het eigenaarschap overgenomen: de eigenaar van installatie x levert functie met prestatie-eisen. De eisen worden vastgelegd in een service level agreement.​
Naast de contractvorm zijn er ook nog tussenvormen zoals detachering van externen of alles zelf aansturen met uitbesteden van een gedeeltelijke of de gehele uitvoering. Welke contractvorm of tussenvorm moet worden gekozen, is een vraag die samenhangt met de wijze van exploiteren en beheren. Het is een strategische keuze of de parkeerorganisatie voldoende kennis en mankracht in eigen dienst wil hebben of niet. Bezien moeten worden wat in de gegeven situatie de voorkeur heeft.
Bij bijvoorbeeld een bovengrondse open parkeergarage met een in- en uitrit, twee betaalautomaten en een lift kan worden volstaan met een contract voor doorschakeling naar teleservice voor de lift en preventief onderhoud aan de lift en een contract voor de parkeerapparatuur. Een parkeerbeheerder of een lokale installateur kan het onderhoud plegen, zoals het vervangen van tl-buizen en het controleren van de noodverlichting. Bij een grote gesloten ondergrondse garage liggen de zaken anders. Dan zal het bevoegde gezag (gemeente/brandweer) regelmatig controleren of aan de voorwaarden van de gebruiksvergunning en de brandmeldinstallatie wordt voldaan. Het voldoen daaraan vraagt van de exploitant de nodige aandacht en zorg. Er moeten controlerapporten kunnen worden overgelegd.
Preventief en correctief onderhoud
Bij het uitbesteden van onderhoud van installaties kan onderscheid worden gemaakt tussen preventief en correctief onderhoud. Preventief onderhoud houdt in dat installaties volgens een frequentie en/of draaiuren en volgens inspectierichtlijnen en voorschriften van de leverancier worden gecontroleerd, gereinigd, doorgemeten en afgesteld. Ook worden eventueel onderdelen vervangen (bijvoorbeeld filters, lagers). Correctief onderhoud houdt in dat na een geconstateerde of gemelde storing onderhoud wordt uitgevoerd aan de installatie zodat de storing structureel wordt opgeheven.
Bij preventief en correctief onderhoud kan er ook nog onderscheid worden gemaakt tussen onderhoud aan installaties en niet-installatiegebonden onderhoud. In principe is er geen verschil, maar bij niet-installatiegebonden onderhoud is er in de praktijk minder reden een en ander langjarig uit te besteden vanwege de aard en de omvang van de werkzaamheden.
Bij contracten voor preventief en correctief installatietechnisch onderhoud is het van belang om prioriteiten te stellen aan het behandelen van storingen en klachten. Bij de afhandeling moet de nadruk liggen op storingen. De behandeling van klachten moet evenwel niet ondergeschikt zijn. Een klacht is nog geen storing, maar het is zeker niet uitgesloten dat deze na verloop van tijd tot een storing leidt. Bij contracten kan worden overeengekomen binnen hoeveel tijd een storing moet zijn opgelost, afhankelijk van de aard van de storing. Soms moet een noodreparatie worden uitgevoerd om de installatie veilig te stellen.
Prioriteiten bij storingen
Bij prioriteiten bij storingen gaat het niet alleen om de vraag – als twee storingen gelijktijdig worden gemeld – welke storing het eerst moet worden verholpen. Het gaat vooral om de vraag binnen hoeveel tijd na melding van een storing met het verhelpen ervan moet worden begonnen. In contracten wordt onderscheid gemaakt tussen fatale storingen en niet-fatale storingen. Bij fatale storingen is het functioneren van de garage niet meer mogelijk. Bij fatale storingen hoort een korte responstijd waarbinnen met het verhelpen van de storingen (eventueel vanaf afstand) moet zijn begonnen. Een fatale storing is bijvoorbeeld een storing waarbij de garage niet kan worden in- en/of uitgereden. Andere fatale storingen zijn storingen waarbij de veiligheid in het geding is door het niet functioneren van CO/LPG-detectoren, de brandmeldinstallatie, de ontruimingssystematiek en de noodstroomvoorzieningen.