Veilige snelheid en geloofwaardige snelheidslimieten en inrichting
Als de gewenste weginrichting niet ‘past’, dan moeten aanvullend maatregelen worden doorgevoerd zodat de mogelijke conflicten worden beheerst. Maatregelen om conflicten te beheersen, worden compenserende maatregelen genoemd. Het gaat daarbij om aanpassing van de limiet en/of fysieke aanpassing van de weg en de wegomgeving. Dergelijke maatregelen kunnen ook voor VSGS worden ingezet.
Voorkomen is beter dan beperken is beter dan beheersen
Op basis van de ideale veilige snelheid en snelheidslimiet wordt bepaald hoe de huidige limiet, de geloofwaardigheid van de snelheidslimiet en zo mogelijk de gereden snelheid (bijvoorbeeld de V85) zich tot elkaar verhouden. Daaruit vloeien mogelijke oplossingsrichtingen (compenserende maatregelen) voort:
- Het aanpassen van de snelheidslimiet aan de veilige en/of geloofwaardige limiet.
- Het aanpassen van de weg en de omgeving aan de veilige en/of geloofwaardige limiet.
- Het aanpassen van handhavingsinspanningen en begeleidende voorlichting geven.
Beheersmaatregelen (ook wel compenserende of VSGS-maatregelen genoemd) zijn:
- Teruggaan naar de minimale maatvoering die voor bepaalde basiskenmerken in het ontwerp van het dwarsprofiel zijn gegeven. Voorbeelden voor gebiedsontsluitingswegen zijn: het iets versmallen van de rijstrookbreedte en het opheffen van parkeren naast de rijbaan. Voor buiten de kom: de obstakelvrije ruimte (iets) verkleinen en gelijktijdig objecten wel beveiligen met afschermingelementen, het aanleggen van pechvoorzieningen, lagere lichtmasten zodat visueel het wegbeeld wordt gewijzigd, en het aanleggen van inhaalstroken voor landbouwverkeer. Voorwaarde voor het toepassen van deze compenserende maatregelen is dat de herkenbaarheid van de weg wordt gewaarborgd. Gerealiseerd moet worden dat door toepassing van deze compenserende maatregelen het totale veiligheidsniveau lager wordt.
- Toevoegen van snelheidsremmende maatregelen op wegvakken en aanleggen van rotondes of plateaus op kruispunten.
- Handhaving op snelheid met aanvullend ondersteunende voorlichting.
- Laatste ‘redmiddel’ is het lokaal en over beperkte weglengte aanpassen van de snelheidslimiet naar een snelheidsklasse lager: van 50 naar 30 km/h, van 80 naar 60 km/h, van 100 naar 80 km/h of van 60 naar 30 km/h. Dit is mogelijk op de overgang van een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom (60 km/h-zone) naar een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom mag 30 km/h worden ingesteld in recreatiegebieden. Daaronder kunnen ook buurtschappen zonder bebouwde kom worden verstaan.
Verlaging van de snelheidslimiet mag alleen in combinatie met een aanpassing in de weginrichting worden toegepast. Verder moet dit passen bij de omgeving van de weg (en dus bij het verwachtingspatroon van de weggebruiker). Zodoende wordt een lokale verlaging van de snelheidslimiet geloofwaardig en wordt alsnog een voldoende veilige situatie gerealiseerd.Een verlaging van de snelheidslimiet is altijd lokaal, op een wegvak of een beperkt aantal wegvakken, maar nooit een zonale maatregel in verband met de voorrangssituatie: bij kruispunten in een erftoegangsweg wordt de voorrang niet geregeld (rechts-gaat-voor).