Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Selectieve toegang en doseren
Deze tekst is gepubliceerd op 25-01-13

Passeerbaarheid

Bij de passeerbaarheid spelen de volgende aspecten:
  • doorrijbreedte;
  • passeerbaarheid bij smalle rijstroken;
  • passeerbaarheid voor (brom)fietsverkeer.
Doorrijbreedte
De breedte van BFA's varieert, afhankelijk van het gekozen type. Verzinkbare palen zijn doorgaans circa 30 tot 40 cm breed en smaller dan scharnierende voorzieningen, die vaak een breedte hebben van 50 tot 60 cm en zelfs meer.
De doorrijbreedte wordt bepaald door de maximale afstand tussen twee fysieke afsluitingen (beweegbare of vaste palen). Deze afstand mag maximaal 1,35 m bedragen, maar bij voorkeur minder. Uitgangspunt moet zijn dat met de afsluiting in verzonken toestand er een maximale doorrijbreedte is van 3 m zodat tegenliggers elkaar niet kunnen passeren. Een uitzondering hierop kan nodig zijn voor situaties waarin sprake is van landbouwverkeer en/of speciaal transport. Daarvoor kan een doorrijbreedte van 3,5-4,0 m gewenst zijn. Het ontwerp-landbouwvoertuig heeft een breedte van 3,10 m. Soms kan de rijbaanbreedte voor zulke voertuigen niet worden beperkt met fysieke maatregelen zoals een middengeleider. Dan is maatwerk vereist voor een passende oplossing. In geval van een afsluiting kan bijvoorbeeld vanuit een bedienpost op afstand een extra afsluiting worden neergelaten waardoor brede transporten kunnen passeren. Een mogelijkheid is ook een specifieke ontheffing waarmee het systeem bediend kan worden (chipkaart, transponder).
Oplossingen voor brede voertuigen vragen extra aandacht bij de inrichting van de locatie. Denk aan markering en aan geleiding van het verkeer om de extra afsluiting heen, bijvoorbeeld door een overrijdbare, middenberm met een bolbestrating. Een dergelijke bestrating gaat overigens ten koste van het comfort van de reizigers van bussen. Is er sprake van een doseerinstallatie, dan moeten de weggebruiker en de wegbeheerder afspraken maken over lokale handbediening.
[ link ]

Foto 8. Voorziening om fietsers langs BFA te leiden

Passeerbaarheid bij smalle rijstroken
In situaties met een rijstrook voor verkeer uit twee richtingen moeten voertuigen op voldoende afstand van de afsluiting kunnen stoppen om tegemoetkomend verkeer te kunnen laten passeren. De opstelplaats kan bijvoorbeeld zijn gemarkeerd met een stopstreep.
Passeerbaarheid voor (brom)fietsverkeer
Bij toepassing van een BFA op erftoegangswegen of gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom met de bromfiets op rijbaan, moet gestreefd worden naar aparte voorzieningen die het (brom)fietsverkeer om de beweegbare afsluiting heen leiden. Een dergelijke voorziening moet de vormgeving hebben van een verplicht (brom)fietspad.
Op gebiedsontsluitingswegen kunnen als voorzieningen voor het bromfietsverkeer bestaande fietsvoorzieningen worden gebruikt, wanneer binnen de bebouwde kom op het betreffende wegvak sprake is van een verplicht (brom)fietspad.
Naast veiligheid heeft het verplichte (brom)fietspad ook de functie om de (brom)fietser langs de eventuele wachtrij te geleiden. De lengte van de voorziening, hangt sterk af van de te verwachten wachtrij. Als de ruimte voor een fysiek van de rijbaan en de BFA gescheiden (brom)fietspad ontbreekt, wordt aanbevolen om, afhankelijk van de beschikbare breedte van de weg, een fietsstrook met onderbroken strepen of een fietssuggestiestrook toe te passen. Beide stroken mogen ook door bromfietsen worden bereden, Het rechts inhalen van files is volgens het RVV 1990 toegestaan. In verband met een mogelijk aanrijdrisico van de stijgende BFA door (brom)fietsers moet er voor deze categorie verkeersdeelnemers een apart verkeerslicht met fietssymbolen in de lantaarns worden aangebracht. In de regeling wordt het fietsverkeerslicht weer groen zodra de BFA in zijn niet verzonken eindpositie staat.
Bij toepassing van een BFA in verblijfsgebieden binnen de bebouwde kom (30 km/h) kan een aparte voorziening voor fiets- en bromfietsverkeer soms achterwege blijven omdat menging van het verkeer daar normaal is. Wel moet extra aandacht worden besteed aan de zichtbaarheid zodat men niet over de verzonken BFA heen rijdt.
Bij eenrichtingsverkeer voor motorvoertuigen wordt aanbevolen om fietsverkeer uit de tegengestelde richting te scheiden van het overige verkeer door middel van een verkeersgeleider.
[ link ]

Foto 9. Bromfietsverkeer langs BFA over fietsstrook (stopstreep ontbreekt)

De rijbaan moet aan beide zijden fysiek zijn afgebakend. Hiervoor kunnen hoge betonnen of natuurstenen randen (minimale hoogte 20 cm) of andere straatelementen (zoals sierpalen, betonpoeren of plantenbakken) worden gebruikt. Bij erftoegangswegen of voetgangers-/winkelgebieden moet waar nodig rekening worden gehouden met de pedalen van fietsen.