Samenvatting
De CROW-werkgroep ‘Aanvangsstroefheid asfaltverhardingen’ (ASTRA) is opgericht in 2000. De reden hiervoor was dat steeds vaker werd gesteld dat de eisen van de Standaard RAW Bepalingen 1995 voor de stroefheid van asfaltdeklagen, niet konden worden gehaald. De werkgroep ASTRA heeft naar aanleiding hiervan de mogelijke oorzaken van een lage aanvangsstroefheid geïnventariseerd. Daarbij is onderscheid gemaakt in de aanvangsstroefheid gemeten onder natte condities conform proef 150 uit de RAW en de remvertraging bepaald onder droge condities. Uit de inventarisatie is gebleken dat de meeste problemen met de natte aanvangsstroefheid zich voordoen bij steenmastiekasfalt (sma) en combinatiedeklagen. In deze publicatie wordt daar uitvoerig op ingegaan. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de problematiek van de droge aanvangsstroefheid van zeer open asfaltbeton (zoab).
Sma
Voor sma-deklagen worden alleen eisen gesteld aan de natte aanvangsstroefheid indien deze deklagen zijn afgestrooid. Voor niet-afgestrooide verhardingen, waar de aannemer geen mogelijkheden heeft om de stroefheid te beïnvloeden, gelden er geen eisen. Met name van sma werd steeds vaker beweerd dat de stroefheidseis bij oplevering niet kon worden gehaald. In de Standaard RAW Bepalingen 1995 werd namelijk geëist dat de stroefheid van afgestrooide weggedeelten minimaal 0,52 moet bedragen als gemiddelde van 100 meter. Naar aanleiding van problemen met het behalen van de geëiste aanvangsstroefheid van afgestrooide sma-verhardingen is in de standaard RAW Bepalingen 2000 een interim-regeling opgenomen. Hierin is de eis voor de natte aanvangsstroefheid van afgestrooide sma-verhardingen verlaagd naar 0,40.
Om meer inzicht te krijgen in deze problematiek is de werkgroep ASTRA vanaf 2000 gestart met onderzoek op verschillende proefvakken met een sma-deklaag. Hierbij is vooral aandacht besteed aan de wijze van afstrooien. De resultaten van dit onderzoek hebben aangetoond dat de natte aanvangsstroefheid van sma-verhardingen aanzienlijk is te verbeteren door op de juiste wijze en met de juiste hoeveelheid afstrooimateriaal af te strooien en deze op een juiste wijze in te walsen. Bij sma 0/6 en 0/8 wordt aanbevolen om met brekerzand of steenslag 1/3 af te strooien en bij sma 0/11 met steenslag 1/3 of 2/6. De temperatuur van de sma-deklaag is hierbij van groot belang en moet bij het afstrooien minimaal 110 °C zijn. Uitvoering van deze werkzaamheden vereist daarom de nodige aandacht; een goede voorbereiding en logistiek op het werk aan de kant van de aannemer zijn onontbeerlijk. Anderzijds moet een wegbeheerder een situatie creëren waarin een aannemer kwaliteit kan leveren: sma aanbrengen en afstrooien onder ongunstige weers- en of uitvoeringsomstandigheden kan gevolgen hebben voor het te bereiken stroefheidsniveau. Hoewel de werkgroep ASTRA alleen sma type 2 mengsels (sma 0/11 en 0/8) en sma 0/6 heeft onderzocht, heeft zij aan de Werkgroep Asfaltverhardingen (WGA) van CROW voorgesteld de uitzonderingspositie van afgestrooide sma-verhardingen in de RAW-regelgeving te laten vervallen.
Veel wegbeheerders laten een sma-verharding niet afstrooien omdat men ten eerste het idee heeft dat hierdoor de gunstige akoestische eigenschappen worden aangetast en ten tweede omdat men bang is voor overvulling van het mengsel. Vaak is men zich niet bewust van de lage aanvangsstroefheid in de beginperiode. Geluidsmetingen die de werkgroep ASTRA op verschillende proefvakken heeft uitgevoerd, hebben echter aangetoond dat er geen significant verschillende geluidsniveaus worden gemeten tussen de wel en niet afgestrooide sma-verhardingen. Daarnaast hebben inspecties aangetoond dat er geen overvulling van het mengsel heeft plaatsgevonden. Hiermee lijken de belangrijkste bezwaren tegen het afstrooien van sma-verhardingen te zijn weggenomen. Er wordt daarom aanbevolen sma-verhardingen altijd te laten afstrooien.
Zoab
Gezien het feit dat niet alleen op zoab, maar ook op sma (wél en niet afgestrooid) en tweelaags zoab gedurende enige tijd na aanleg op een droog wegdek lagere remvertragingen worden gemeten, wordt aanbevolen om voor deze verhardingen de correlatie te bepalen tussen de droge stroefheidsmeting en de remvertraging bij de remproef. De beschikking over een relatie tussen deze twee meetmethoden is namelijk van groot belang om regelgeving te kunnen invoeren voor de communicatie met de weggebruiker over de eventueel langere remweg. De werkgroep heeft overigens zelf geen onderzoek verricht naar de aanvangsstroefheid van zoab, maar refereert aan onderzoek door de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat [6].
Combinatiedeklagen
Uit de door de werkgroep uitgevoerde inventarisatie is gebleken dat er over het algemeen erg weinig bekend is over het verloop in de tijd van de stroefheid bij combinatiedeklagen en dat er bij de aanleg van deze verhardingen veel aan de aannemer of mortelleverancier wordt overgelaten. Dit was voor de werkgroep reden om onderzoek te laten uitvoeren op een proefvak met een combinatiedeklaag.
Uit de hier uitgevoerde stroefheidsmetingen blijkt dat het niet afstrooien (en niet bezemen) van een combinatiedeklaag in de beginperiode kan leiden tot een zeer lage (niet verantwoorde) aanvangsstroefheid. Op de afgestrooide weggedeelten werd de minimumeis van 0,52 ruimschoots behaald. Wegbeheerders wordt daarom aangeraden om ook combinatiedeklagen altijd te laten afstrooien dan wel andere stroefheidverhogende maatregelen te laten uitvoeren ter voorkoming van een te lage aanvangsstroefheid. Hierbij kan, afhankelijk van de soort mortel, worden gedacht aan bezemen, waterstralen of gritstralen.
Uit de hier uitgevoerde stroefheidsmetingen blijkt dat het niet afstrooien (en niet bezemen) van een combinatiedeklaag in de beginperiode kan leiden tot een zeer lage (niet verantwoorde) aanvangsstroefheid. Op de afgestrooide weggedeelten werd de minimumeis van 0,52 ruimschoots behaald. Wegbeheerders wordt daarom aangeraden om ook combinatiedeklagen altijd te laten afstrooien dan wel andere stroefheidverhogende maatregelen te laten uitvoeren ter voorkoming van een te lage aanvangsstroefheid. Hierbij kan, afhankelijk van de soort mortel, worden gedacht aan bezemen, waterstralen of gritstralen.