Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Grip op stroefheid
Deze tekst is gepubliceerd op 05-11-15

Samenvatting

De CROW-werk­groep ‘Aan­vangs­stroef­heid asfaltverhardingen’ (ASTRA) is opge­richt in 2000. De reden hier­voor was dat steeds vaker werd gesteld dat de eisen van de Stan­daard RAW Bepa­lin­gen 1995 voor de stroef­heid van asfalt­de­k­lagen, niet kon­den wor­den gehaald. De werk­groep ASTRA heeft naar aan­lei­ding hier­van de moge­lijke oor­za­ken van een lage aan­vangs­stroef­heid geïn­ven­ta­ri­seerd. Daar­bij is onder­scheid gemaakt in de aan­vangs­stroef­heid geme­ten onder natte con­di­ties con­form proef 150 uit de RAW en de rem­ver­tra­ging bepaald onder droge con­di­ties. Uit de inven­ta­ri­sa­tie is geble­ken dat de meeste pro­ble­men met de natte aan­vangs­stroef­heid zich voor­doen bij steen­mas­tie­kas­falt (sma) en com­bi­na­tie­de­kla­gen. In deze publi­ca­tie wordt daar uit­voe­rig op inge­gaan. Daar­naast wordt aan­dacht besteed aan de pro­ble­ma­tiek van de droge aan­vangs­stroef­heid van zeer open asfalt­be­ton (zoab).
Sma
Voor sma-deklagen worden alleen eisen gesteld aan de natte aanvangsstroefheid indien deze deklagen zijn afgestrooid. Voor niet-afgestrooide verhardingen, waar de aannemer geen mogelijkheden heeft om de stroefheid te beïnvloeden, gelden er geen eisen. Met name van sma werd steeds vaker beweerd dat de stroefheidseis bij oplevering niet kon worden gehaald. In de Standaard RAW Bepalingen 1995 werd namelijk geëist dat de stroefheid van afgestrooide weggedeelten minimaal 0,52 moet bedragen als gemiddelde van 100 meter. Naar aanleiding van problemen met het behalen van de geëiste aanvangsstroefheid van afgestrooide sma-verhardingen is in de standaard RAW Bepalingen 2000 een interim-regeling opgenomen. Hierin is de eis voor de natte aanvangsstroefheid van afgestrooide sma-verhardingen verlaagd naar 0,40.
Om meer inzicht te krijgen in deze problematiek is de werkgroep ASTRA vanaf 2000 gestart met onderzoek op verschillende proefvakken met een sma-deklaag. Hierbij is vooral aandacht besteed aan de wijze van afstrooien. De resultaten van dit onderzoek hebben aangetoond dat de natte aanvangsstroefheid van sma-verhardingen aanzienlijk is te verbeteren door op de juiste wijze en met de juiste hoeveelheid afstrooimateriaal af te strooien en deze op een juiste wijze in te walsen. Bij sma 0/6 en 0/8 wordt aanbevolen om met brekerzand of steenslag 1/3 af te strooien en bij sma 0/11 met steenslag 1/3 of 2/6. De temperatuur van de sma-deklaag is hierbij van groot belang en moet bij het afstrooien minimaal 110 °C zijn. Uitvoering van deze werkzaamheden vereist daarom de nodige aandacht; een goede voorbereiding en logistiek op het werk aan de kant van de aannemer zijn onontbeerlijk. Anderzijds moet een wegbeheerder een situatie creëren waarin een aannemer kwaliteit kan leveren: sma aanbrengen en afstrooien onder ongunstige weers- en of uitvoeringsomstandigheden kan gevolgen hebben voor het te bereiken stroefheidsniveau. Hoewel de werkgroep ASTRA alleen sma type 2 mengsels (sma 0/11 en 0/8) en sma 0/6 heeft onderzocht, heeft zij aan de Werkgroep Asfaltverhardingen (WGA) van CROW voorgesteld de uitzonderingspositie van afgestrooide sma-verhardingen in de RAW-regelgeving te laten vervallen.
Veel weg­be­heer­ders laten een sma-ver­har­ding niet afstrooien omdat men ten eer­ste het idee heeft dat hier­door de gun­stige akoes­ti­sche eigen­schap­pen wor­den aan­ge­tast en ten tweede omdat men bang is voor over­vul­ling van het meng­sel. Vaak is men zich niet bewust van de lage aan­vangs­stroef­heid in de begin­pe­ri­ode. Geluids­me­tin­gen die de werk­groep ASTRA op ver­schil­lende proef­vak­ken heeft uit­ge­voerd, heb­ben ech­ter aan­ge­toond dat er geen sig­ni­fi­cant ver­schil­lende geluids­ni­ve­aus wor­den geme­ten tus­sen de wel en niet afge­strooide sma-ver­har­din­gen. Daar­naast heb­ben inspec­ties aan­ge­toond dat er geen over­vul­ling van het meng­sel heeft plaats­ge­von­den. Hier­mee lij­ken de belang­rijk­ste bezwa­ren tegen het afstrooien van sma-ver­har­din­gen te zijn weg­ge­no­men. Er wordt daarom aan­be­vo­len sma-ver­har­din­gen altijd te laten afstrooien.
Zoab
Gezien het feit dat niet alleen op zoab, maar ook op sma (wél en niet afge­strooid) en twee­laags zoab gedu­rende enige tijd na aan­leg op een droog weg­dek lagere rem­ver­tra­gin­gen wor­den geme­ten, wordt aan­be­vo­len om voor deze ver­har­din­gen de cor­re­la­tie te bepa­len tus­sen de droge stroef­heids­me­ting en de rem­ver­tra­ging bij de rem­proef. De beschik­king over een rela­tie tus­sen deze twee meet­me­tho­den is name­lijk van groot belang om regel­ge­ving te kun­nen invoe­ren voor de com­mu­ni­ca­tie met de weg­ge­brui­ker over de even­tu­eel lan­gere rem­weg. De werk­groep heeft ove­ri­gens zelf geen onder­zoek ver­richt naar de aan­vangs­stroef­heid van zoab, maar refe­reert aan onder­zoek door de Dienst Weg- en Water­bouw­kunde van Rijks­water­staat [6].
Combinatiedeklagen
Uit de door de werk­groep uit­ge­voerde inven­ta­ri­sa­tie is geble­ken dat er over het alge­meen erg wei­nig bekend is over het ver­loop in de tijd van de stroef­heid bij com­bi­na­tie­de­kla­gen en dat er bij de aan­leg van deze ver­har­din­gen veel aan de aan­ne­mer of mor­tel­le­ver­an­cier wordt over­ge­la­ten. Dit was voor de werk­groep reden om onder­zoek te laten uit­voe­ren op een proef­vak met een com­bi­na­tie­de­klaag.
Uit de hier uit­ge­voerde stroef­heids­me­tin­gen blijkt dat het niet afstrooien (en niet beze­men) van een com­bi­na­tie­de­klaag in de begin­pe­ri­ode kan lei­den tot een zeer lage (niet ver­ant­woorde) aan­vangs­stroef­heid. Op de afge­strooide weg­ge­deel­ten werd de mini­mum­eis van 0,52 ruim­schoots behaald. Weg­be­heer­ders wor­dt daarom aan­ge­ra­den om ook com­bi­na­tie­de­kla­gen altijd te laten afstrooien dan wel andere stroef­heid­ver­ho­gende maat­re­ge­len te laten uit­voe­ren ter voor­ko­ming van een te lage aan­vangs­stroef­heid. Hier­bij kan, afhan­ke­lijk van de soort mor­tel, wor­den gedacht aan beze­men, water­stra­len of grit­stra­len.