Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Grip op stroefheid
Deze tekst is gepubliceerd op 09-11-15

Verschil tussen natte en droge stroefheid

De natte stroef­heid wordt geme­ten vol­gens proef 150 van de Stan­daard RAW Bepa­lin­gen (proef 72 in de Standaard RAW Bepalingen 2015). Hier­bij wordt bij 50 km/h een gestan­daard­iseerde onge­pro­fi­leerde PIARC-band met een 86% ver­traagd wiel over het weg­dek voort­get­rok­ken. De band wordt met een sta­ti­sche belas­ting van 1962 N op de weg gedrukt.
Om een natte situ­a­tie te simu­le­ren, wordt een water­laag van 0,5 mm voor het meet­wiel gespo­ten (het betreft een water­laag met een the­o­re­ti­sche dikte van 0,5 mm op een tex­tuur­loos weg­dek). De wrij­vings­co­ëf­fi­ci­ënt of stroef­heid wordt bepaald door de hori­zon­taal geme­ten wrij­vings­kracht van het meet­wiel te delen door de sta­ti­sche ver­ti­cale belas­ting.
De op deze wijze vast­ge­stelde natte stroef­heid wordt vooral bepaald door de poten­tie van het weg­dek om:
  • de water­laag te beper­ken via de macro­textuur en de resul­te­rende water­film te door­bre­ken door de micro­ruw­heid;
  • de band te ver­vor­men via de aan­we­zige macro­tex­tuur.
Er is dus ener­zijds een goede macro­tex­tuur nodig om water te ber­gen en af te voe­ren en ander­zijds een goede microt­ex­tuur om adhe­sie moge­lijk te maken.
De droge stroef­heid werd aan­van­ke­lijk bepaald met behulp van rem­proe­ven. Later is een aan­ge­paste stroef­heids­me­ting ont­wik­keld, waar­bij geme­ten wordt met een geblok­keerd meet­wiel bij 70 km/h. Ver­der wordt er bij deze meting uiter­aard geen water­film voor het meet­wiel gespo­ten. In para­graaf 2.3 wordt nader inge­gaan op de meet­me­tho­diek ter bepa­ling van de droge stroef­heid. Samen­vat­tend kan wor­den gesteld dat bij droge stroef­heid vooral de effec­tieve con­tact­op­per­vlakte tus­sen band en weg­dek bepa­lend is. Hier kan immers de adhe­sie tot volle ont­wik­ke­ling komen.
[ link ]

Figuur 2. Principeschets van een stroefheidsmeet-aanhanger