4.8. Vereffenen van de planning en begroting
Na het uitvoeren van de maatregeltoets zijn alle wegvakonderdelen van planjaar 1 en 2 gecontroleerd en zo nodig gecorrigeerd. Bij afwijking van de meest efficiënte maatregel krijgt de beheerder een melding en geeft de methode inzicht in de consequenties van zijn keuze. Na de maatregeltoets zijn de onderhoudsmaatregelen voor wegvakonderdelen en wegvakken afgestemd op die voor andere wegvakonderdelen en wegvakken, en op plannen van derden. De maatregelen die voor de periode 1 - 2 jaar gepland zijn, betreffen het onderhoud dat daadwerkelijk in die periode moet worden uitgevoerd. In de meeste gevallen zal het budget voor onderhoudswerk over de verschillende jaren nog pieken en dalen vertonen. Het vereffenen van de planning en begroting vindt plaats door te schuiven met het planjaar.
Vaststellen planjaar
De beheerder zal over het algemeen een meerjarenbegroting willen opstellen waarin de bedragen gelijkmatig over de planjaren zijn verdeeld. Het bestuur zal uit beleidsoverwegingen het liefst voor een langere termijn een gelijkmatig budget toekennen. Een planning en begroting met zo gelijkmatig mogelijke jaarlijkse budgetten wordt verkregen door te schuiven met wegvakonderdelen over de planjaren. De methode maakt daarbij onderscheid in planperiode en planningstermijn.
Planperiode
De planperiode varieert per wegvakonderdeel. Dit is de periode waarin volgens de methode op de meest efficiënte wijze onderhoud moet worden uitgevoerd. Voor een zeker wegvakonderdeel kan de planperiode bijvoorbeeld 3 - 6 jaar zijn en voor een ander wegvakonderdeel bij voorbeeld 4 - 9 jaar. De planperiode kan toevalligerwijze samenvallen met een van de planningstermijnen, bijvoorbeeld 3 - 5 jaar.
Na het vaststellen van het planjaar ontstaat een planning en begroting met zo gelijkmatig mogelijke jaarlijkse budgetten. Er staat met opzet zo gelijkmatig mogelijke en niet gelijkmatige. De reden hiervan is de technische toelaatbaarheid. Het is mogelijk dat een relatief grote hoeveelheid onderhoudswerk zeker binnen een of enkele jaren moet worden uitgevoerd omdat uitstel niet verantwoord is. De methode loopt dan tegen de grenzen van de planperiodes aan. Het is onvermijdelijk dat in een dergelijk geval gedurende een of enkele jaren een hoger budget nodig is dan in de periodes daarvoor en daarna.
Het schuiven met de planjaren verloopt in twee stappen:
- Vaststellen gemiddelde bedrag per jaar;
- Verschuiven wegvakonderdelen.
Gemiddelde bedrag
Voor het gemiddelde bedrag neemt de methode het gemiddelde van de begrote bedragen voor de planjaren 1 tot en met 5 jaar. Ten opzichte van dit bedrag vinden de verschuivingen plaats.
Stel dat een maatregel in eerste instantie is gepland in planjaar 2, met als planperiode 1 - 3 jaar. Deze maatregel kan dus worden verschoven naar zowel planjaar 1 als planjaar 3. Als de maatregel in planjaar 1 of 2 staat, dan valt deze onder de korte termijn. Belandt de maatregel in planjaar 3, dan valt hij onder de middellange termijn. Het is ook mogelijk dat voor een maatregel als planperiode 2 - 6 jaar geldt. De maatregel blijft gelijk, ongeacht het planjaar, binnen de periode waarin hij wordt uitgevoerd. Bij het bepalen van de planningstermijn verschuift het onderhoudsmoment echter naar maximaal planjaar 5. De maatregel kan dus terechtkomen in de planningstermijnen 1 - 2 jaar en 3 - 5 jaar, maar niet in de planningstermijn > 5 jaar.
Verschuiven wegvakonderdelen
De onderhoudsmaatregelen en de bijbehorende kosten voor de wegvakonderdelen worden ten opzichte van het gemiddelde bedrag over de planjaren verschoven. Er kan zowel naar voren als naar achteren in de tijd worden geschoven, als de grenzen van de planperiodes maar worden gehandhaafd. Het is dus mogelijk dat een wegvakonderdeel van de korte naar de middellange planningstermijn gaat. Het resultaat van de verschuivingen is een begroting met zo gelijkmatig mogelijke bedragen, maar zoals gezegd kunnen daarin nog steeds pieken en dalen voorkomen omdat de planperiodes moeten worden gerespecteerd.
Basisplanning en -begroting
Als de planjaren zijn bepaald, is de basisplanning en -begroting vastgesteld. Hierin is op basis van de actuele onderhoudstoestand en binnen de technisch toelaatbare grenzen het onderhoud bepaald en gepland. De basisplanning en -begroting geeft de beste tijdstippen voor onderhoud en de meest efficiënte maatregelen aan en is van toepassing op de korte en de middellange termijn. Voor de middellange termijn wordt ter indicatie een maatregelgroep gegeven en wordt de budgetbehoefte bepaald op basis van termijnbudgetten. De basisplanning en -begroting heeft als doel dat, wanneer de voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd, een optimaal onderhoudsniveau van het wegennet wordt verkregen. Optimaal wil niet zeggen dat alle wegen er perfect bij liggen. Het kan zijn dat voor sommige wegen een verminderde onderhoudstoestand zal gelden. Achterstand komt echter niet voor. Optimaal houdt in dit verband in dat gedurende langere tijd met een zo constant mogelijke inspanning en een zo constant mogelijk budget het wegennet in stand wordt gehouden op een verantwoord en zo constant mogelijk onderhoudsniveau. Met de basisplanning en -begroting is het benodigde budget voor het uitvoeren van groot onderhoud voor de periode 1 - 2 jaar bepaald. Dit budget is mede afhankelijk van de actuele onderhoudstoestand.