Invoegstroken voor werkverkeer
Voor het bepalen van de minimumlengte van de invoegstrook zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- De beginsnelheid bij het invoegen is gesteld op 0 tot 10 km/h.
- De acceleratie is 1 m/s2, hetzelfde als in ‘normale situaties’.
- Bij invoegstroken voor het werkvak wordt uitgegaan van Vmax (de regulier maximumsnelheid) en bij invoegstroken in het werkvak van Vwiu (de tijdelijke snelheidsbeperking).
- Op rechts gelegen invoegstroken is de snelheid waarmee het verkeer invoegt 0,75 van Vmax of 0,75 van Vwiu, met een maximum van 60 km/h.
- Op links gelegen invoegstroken is de snelheid waarmee het verkeer invoegt gelijk aan Vmax of Vwiu, met een maximum van 80 km/h.
Om te voorkomen dat het werkverkeer al direct bij het begin van de invoegstrook met lage snelheid de rijbaan oprijdt, wordt er op het eerste deel van de invoegstrook een scheiding tussen de rechtdoorgaande rijstrook en de invoegstrook gerealiseerd. Deze bestaat bij voorkeur uit een verlenging van de langsafzetting langs het werkvak en minimaal uit een dubbele doorgetrokken streep. De scheiding heeft een lengte van circa 1/3 van de benodigde brutolengte van de invoegstrook. Bij een benodigde invoeglengte van circa 50 meter of korter blijft de hele lengte beschikbaar om van rijstrook te wisselen.
Deze uitgangspunten resulteren in minimumlengten voor invoegstroken, gerelateerd aan de ligging voor (tabel 10) of in het werkvak (tabel 11), de positie van de invoegstrook (links of rechts) en de snelheid waarmee het verkeer invoegt.
Tabel10. Lengte invoegstroken na het werkvak
| V max | Li | Ls | Li1 | Li2 | Li(tot) | ||||
| links | rechts | links | rechts | links | rechts | links | rechts | ||
| 100 km/h | 250 m | 220 m | 50 m | 175 m | 150 m | 75 m | 70 m | 300 m | 270 m |
| 80 km/h | 250 m | 140 m | 50 m | 175 m | 95 m | 75 m | 45 m | 300 m | 190 m |
| 70 km/h | 200 m | 110 m | 50 m | 150 m | 75 m | 50 m | 35 m | 250 m | 160 m |
| 60 km/h | 150 m | 80 m | 30 m | 100 m | 55 m | 50 m | 25 m | 180 m | 110 m |
| 50 km/h | 100 m | 55 m | 30 m | 70 m | 50 m | 30 m | 5 m | 130 m | 85 m |
| Li = netto invoeglengte Ls = lengte wigvormig eind van de invoegstrook Li1 = lengte waarover kan worden ingevoegd Li2 = lengte fysieke scheiding doorgaande rijstrook Li (tot) = totale lengte invoegstrook | |||||||||
Tabel 11. Lengte invoegstroken in het werkvak
| V wiu | Li | Ls | Li1 | Li2 | Li(tot) | ||||
| links | rechts | links | rechts | links | rechts | links | rechts | ||
| 70 km/h | 200 m | 105 m | 50 m | 140 m | 70 m | 60 m | 35 m | 250 m | 155 m |
| 50 km/h | 100 m | 55 m | 30 m | 70 m | 50 m | 30 m | 5 m | 130 m | 85 m |
| 30 km/h | 35 m | 20 m | 30 m | 35 m | 20 m | 10 m | 65 m | 50 m | |
| Li = netto invoeglengte Ls = lengte wigvormig eind van de invoegstrook Li1 = lengte waarover kan worden ingevoegd Li2 = lengte fysieke scheiding doorgaande rijstrook Li (tot) = totale lengte invoegstrook | |||||||||
Als de invoegstrook in het werkvak ligt, kan ervoor gekozen worden de langsafzetting te onderbreken. Voor de lengte van deze onderbreking wordt dan de aangegeven totale lengte gehanteerd.
Invoegstroken aan de linkerzijde van de rijbaan mogen alleen worden aangelegd op dubbelbaanswegen en op wegen met eenrichtingsverkeer.
Bij toepassing van gecombineerde in- en uitvoegstrook is de benodigde lengte voor het invoegende werkverkeer maatgevend. Daarbij moet opgemerkt worden dat gecombineerde in- en uitvoegstroken in het werkvak alleen kunnen worden toegepast bij een laag aantal in- en uitvoegende werkvoertuigen, zodat de kans op een tegelijkertijd uitvoegend en invoegend werkvoertuig nagenoeg nihil is.
Om de lengte van een gecombineerde in- en uitvoegstrook in een werkvak te bepalen moet de grootste lengte van in- en uitvoegstrook als maatgevend worden aangehouden en dat is de totale lengte van de invoegstrook