Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

WIU 2020 – Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen
Deze tekst is gepubliceerd op 24-02-20

Maatregelen bij tijdelijke (bouw)uitritten

Voor het in- en uitrijden bij tijdelijke (bouw)uitritten is een aantal standaardmaatregelen ontwikkeld. Deze variëren van een complete aansluiting met inen uitvoegstroken tot ‘geen maatregelen’. De basismaatregelen zijn als volgt te omschrijven:
  1. in- en uitvoegstrook;
  2. alleen uitvoegstrook;
  3. tijdelijke verkeerslichten;
  4. bord J16 of J37 met onderbord;
  5. geen extra maatregelen.
Bij toepassing van de maatregelen 1 tot en met 4 geldt dat er, afhankelijk van de situatie ter plaatse, voor het werkvak al een snelheidsbeperking ingesteld kan zijn. Waar dit niet het geval is, is het vanwege het in- en uitrijden van werkverkeer noodzakelijk een snelheidsbeperking in te stellen als een van de volgende situaties van toepassing is:
  • het snelheidsverschil tussen het doorgaande verkeer en het in- en/of uitrijdend werkverkeer is te groot;
  • de weggebruikers anticiperen onvoldoende op de aanwezigheid van inen uitrijdend werkverkeer;
  • er zijn veel in- en uitrijdbewegingen van (zwaar) werkverkeer te verwachten.
[ link ]

Figuur 8. Plaatsen RVV-borden bij tijdelijke (bouw)uitritten

In het algemeen geldt dat bij Vmax = 70 km/h of hoger een tijdelijke snelheidsbeperking moet worden ingesteld, omdat het snelheidsverschil tussen in- en uitrijdend werkverkeer dan veel te groot is. Bij Vmax < 70 km/h zijn de herkenbaarheid van de tijdelijke situatie en het aantal in- en uitrijdbewegingen vaak meer bepalend voor het instellen van een snelheidsbeperking. De in te stellen snelheidsbeperking is dan gelijk aan de snelheid die bij werkvakken met snelheidsbeperking wordt ingesteld.
Ligt de tijdelijke (bouw)uitrit binnen de tijdelijke snelheidsbeperking van een werkvak, dan wordt er geen extra snelheidsbeperking ingesteld. Wel kan een herhaling van de geldende tijdelijke snelheidsbeperking worden geplaatst. De in- en uitrijdvoorzieningen moeten zijn afgestemd op de geldende tijdelijke snelheid.
Bij de hiervoor genoemde standaardmaatregelen wordt onderscheid gemaakt in ‘in- en uitvoegstrook’ (1) en ‘alleen uitvoegstrook’ (2). In relatie tot het in- en uitrijden bij tijdelijke (bouw) uitritten moet het volgende worden opgemerkt:
  • Op aansluitingen en kruispunten zonder verkeerslichten worden in principe geen uitvoegstroken naar rechts aangelegd in verband met afdekkingsgevaar voor het verkeer dat uit de zijrichting de weg wil oprijden. Auto’s op de rechtsafstrook belemmeren dan het zicht op het rechtdoorgaande verkeer.
  • Op enkelbaanswegen met verkeer in twee richtingen worden in principe geen invoegstroken toegepast. Dit om te voorkomen dat rechtdoorgaand en achteropkomend verkeer gaat uitwijken naar de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer, om werkverkeer te laten invoegen of om zelf voertuigen in te halen. Ook plotseling uitwijken om een aanrijding met een abrupt invoegend werkvoertuig te voorkomen brengt op enkelbaanswegen zonder fysieke rijrichtingscheiding grote risico’s met zich mee.
Op enkelbaans regionale stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen verdient het aanbeveling het links afslaan vanaf de uitrit niet toe te staan en het principe ‘rechtsaf-in en rechtsaf-uit’ toe te passen. Als linksaf in- en/of uitrijden noodzakelijk is, moet een tijdelijke verkeerslichtenregeling worden geplaatst. Een andere mogelijkheid is een voorziening aan te brengen waarbij het verkeer rechts uitvoegt en vervolgens de rijbaan oversteekt (zie figuren 1931 t/m 1946). Dit biedt mogelijkheden wanneer een linksafvak niet is te realiseren, terwijl een tijdelijke rechtsafstrook naast de rijbaan wel is aan te leggen. Nadeel van deze oplossing is dat het overstekende (bouw)verkeer nu twee verkeersstromen moet kruisen. Bij een hoog verkeersaanbod kan dit leiden tot lange wachttijden en risicovol rijgedrag (oversteken bij (te) kleine hiaten in de verkeersstromen). Als de uitrit is voorzien van een tijdelijke verkeerslichtenregeling, biedt deze oplossing wel de mogelijkheid de tijdelijke opstelruimte voor het afslaande werkverkeer naast de doorgaande rijbaan te realiseren.
Maatregel 4 bestaat uit het plaatsen van bord J16 (werk in uitvoering) of J37 (algemeen waarschuwingsteken) met als onderbord ‘uitrit werkverkeer’ of ‘tijdelijke uitrit’. Ligt de uitrit binnen de afzetting van een werkvak, dan wordt bord J37 geplaatst; bord J16 staat immers al in de inleidende bebording van de afzetting. Ligt de uitrit buiten een werkvak en/of is de relatie met (weg)werkzaamheden niet evident aanwezig, dan wordt ook bord J37 geplaatst. Ligt de uitrit buiten het werkvak en is er een duidelijke relatie met (weg)werkzaamheden, dan wordt bord J16 geplaatst. Hetzelfde geldt voor de tekst op de onderborden. Bij een duidelijke relatie met (weg)werkzaamheden wordt ‘uitrit werkverkeer’ toegepast; ontbreekt deze, dan wordt bij voorkeur ‘tijdelijke uitrit’ toegepast.
Wanneer de tijdelijke uitrit de uitstraling heeft van een permanente zijstraat en het voor het verkeer vanaf de uitrit niet duidelijk is dat het voorrang moet verlenen aan het verkeer op de hoofdrijbaan, dan wordt de voorrang geregeld door plaatsing van bord B6 op de uitrit. Als ook het verkeer op de hoofdrijbaan de tijdelijke uitrit niet herkent, ondanks de aanwezige borden, dan wordt op de hoofdrijbaan de voorrangsregeling aangeven door plaatsing van bord B4 en B5.
In de figuren 1931 t/m 1938 zijn de standaardmaatregelen geformuleerd voor het in- en uitrijden bij tijdelijke (bouw)uitritten. In de figuren 1941 t/m 1946 zijn enkele voorbeeldmaatregelen aangegeven bij tijdelijke (bouw)uitritten met (vrijliggende) fietspaden.
Voor kortdurende werkzaamheden worden in het algemeen geen speciale voorzieningen voor het in- en uitrijden van bouw- of werkverkeer gerealiseerd. Wel kan het bouw- en werkverkeer gebruikmaken van bestaande uitritten of toegangswegen van percelen. Dit komt in principe alleen voor op erftoegangswegen binnen en buiten de bebouwde kom en op gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom. In de tabellen zijn voor een aantal situaties meerdere mogelijkheden gegeven. De keuze van de maatregel is dan afhankelijk van locatiegebonden factoren. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat wordt gekozen voor tijdelijke verkeerslichten, omdat een in- en uitvoegstrook niet binnen de beschikbare ruimte kan worden gerealiseerd. Verder is het aantal in- en uitrijbewegingen medebepalend voor de maatregel. Daar waar het toepassen van tijdelijke verkeerslichten wordt voorgeschreven, kan worden overwogen om bij een beperkt aantal in- en uitrijbewegingen te kiezen voor het plaatsen van alleen waarschuwingsborden.
De aangegeven maatregelen gaan uit van tijdelijke (bouw)uitritten waarbij voortdurend en met enige regelmaat in- en uit wordt gereden. Wanneer er incidenteel wordt in- en uitgereden, zijn er vaak geen extra maatregelen noodzakelijk.
Bij uitritten die uitsluitend door bouwverkeer gebruikt mogen worden kan plaatsing van bord C01 met onderbord ‘uitgezonderd werkverkeer’ noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor bouwterreinen die ver van de openbare weg liggen en het voor de weggebruikers niet direct duidelijk is dat zij de inrit niet mogen gebruiken.
.