Beperken van de maximumsnelheid
Als er op de rijbaan of binnen de invloedssfeer van de weg gewerkt wordt (zie paragraaf 2.3.1), dient altijd een uniform en geloofwaardig snelheidsregime te worden gehanteerd, zodanig dat de werk-in-uitvoeringssituatie voldoende veilig is. Daarnaast draagt dit bij aan de herkenbaarheid van de werk-in-uitvoeringssituatie.
Algemene uitgangspunten snelheidsbeperking
De snelheid langs het werkvak wordt opgelegd door de wegbeheerder of wordt afgeleid uit:
- de keuze van de langsafzetting (verkeerskegels, geleidebakens of barrier) van het werkvak;
- de rijstrookbreedte in de verkeersruimte naast het werkvak;
- de positie van de wegwerkers: in of buiten de voertuigen.
Voor een uniform en geloofwaardig snelheidsregime gelden de volgende uitgangspunten:
- Het standaard snelheidsregime langs werkvakken binnen de invloedssfeer van de weg (zie paragraaf 2.3.1) is 90 km/h.
- Het snelheidsregime wordt teruggebracht tot 70 km/h als:
- zich op een rijstrook een rijdende afzetting bevindt; - zich bij een rijdende afzetting of achter een open afzetting op enig moment wegwerkers buiten het voertuig kunnen bevinden; - de naast het werkvak gelegen rijstroken een breedte hebben die minder is dan 3,25 meter. - Het snelheidsregime wordt eveneens teruggebracht tot 70 km/h als verkeerstechnische beperkingen dit noodzakelijk maken. Deze beperkingen kunnen onder meer te maken hebben met:
- de breedte van de rijstroken. Als het in de tijdelijke situatie niet mogelijk is rijstroken, slingers en in- en uitvoegstroken te realiseren die voldoen aan 90 km/h, is een maximumsnelheid van 70 km/h noodzakelijk. De grenswaarden voor de breedte van de rijstroken, die bepalen of een snelheidsbeperking van 90 km/h dan wel van 70 km/h moet gelden, zijn weergegeven in in het onderdeel Mogelijke dwarsprofielen bij versmallingen en contraflowsystemen van 'Standaardmaatregelen op autosnelwegen' [20]; - het ontwerp van slingers bij rijstrook- en rijbaanverleggingen (zie paragraaf 5.2.2); - het ontwerp van tijdelijke in- en uitvoegstroken voor in- en uitvoegend werkverkeer (zie paragraaf 5.2.2); - overige verkeerstechnische beperkingen, zoals hoogteverschillen (toegestaan tot maximaal 5 mm) en/of gefreesd wegdekoppervlak (groeven toegestaan tot maximaal 3 mm diep en 10 mm breed en voor maximaal 48 uur). - Bij opeenvolgende, dicht bij elkaar gelegen werkvakken wordt steeds hetzelfde snelheidsregime toegepast.
- Binnen één werkvak wordt één limiet toegepast in de lengterichting.
Uit het oogpunt van geloofwaardigheid voor de weggebruikers dient zorgvuldig en selectief omgegaan te worden met snelheidsbeperkingen. Een snelheidsbeperking dient daarom alleen te worden toegepast als deze voor de veiligheid van wegwerkers en/of weggebruikers noodzakelijk is. De snelheid mag niet sterker worden beperkt dan strikt noodzakelijk is. Bij een aantal van de in hoofdstuk 4 en 5 opgenomen standaard maatregelen is het niet nodig de maximumsnelheid te verlagen. Bij deze maatregelen staat deze afwijking op het standaard snelheidsregime expliciet vermeld.
Afbouw van de maximumsnelheid
Op autosnelwegen geldt standaard een nachtelijk snelheidsregime van 130 km/h. De maatregelfiguren zijn ingericht op dit snelheidsregime. Als een tijdelijk snelheidsregime wordt ingesteld, dient een maximale snelheidsafbouw van 50 km/h te worden gehanteerd. Zo mag de maximumsnelheid niet in één keer van 130 km/h naar 70 km/h verlaagd worden. Hierbij dient altijd eerst 90 km/h te worden getoond. Bij wisselende snelheidsregimes, bijvoorbeeld bij een verlaagde maximumsnelheid tussen 6u-19u, dient uitgegaan te worden van de hoogste maximumsnelheid.
Differentiatie van snelheidslimieten
Snelheidslimieten kunnen worden gedifferentieerd naar tijd of naar dwarsprofiel, op voorwaarde dat de autosnelweg is voorzien van rijstrooksignalering. In samenhang met lokale omstandigheden kan hiermee de geloofwaardigheid van het snelheidsregime worden verbeterd. Bij differentiatie bedraagt het verschil in de snelheidslimiet tussen twee naast elkaar gelegen rijstroken 20 km/h.
Differentiatie naar tijd
Differentiatie naar tijd kan worden toegepast bij stationaire afzettingen langer dan één dag op of langs de rijbaan én als het differentiëren geen extra risico’s voor de wegwerkers meebrengt. Gedurende de perioden dat er gewerkt wordt achter een open afzetting en met wegwerkers buiten de werkvoertuigen, bedraagt de maximumsnelheid 70 km/h. Gedurende de perioden dat er niet op deze wijze wordt gewerkt, wordt een maximumsnelheid van 90 km/h getoond.
Differentiatie naar dwarsprofiel
Differentiatie naar dwarsprofiel kan worden toegepast bij werkzaamheden op of langs de rijbaan, bij zowel stationaire als rijdende afzettingen. Voor de rijstrook direct naast het werkvak geldt een maximumsnelheid van 70 km/h en voor de rijstrook/rijstroken daarnaast, dus verder van het werkvak af, geldt 90 km/h. Differentiatie in het dwarsprofiel is alleen mogelijk met rijstrooksignalering en bij een werkvak aan de rechterkant naast of op de rijbaan; het verkeer rijdt dan links langs het werkvak. Bij werkvakken aan de linkerzijde op of naast de rijbaan kan voor het verkeer op de strook direct rechts van het werkvak geen lagere snelheid worden ingesteld dan voor het verkeer op de stroken die verder van het werkvak af liggen. Dit zou immers rechts inhalen in de hand werken.