Principe 1000P07 rijdende afzetting op vluchtstrook
Bij dynamische werkzaamheden op de vluchtstrook buiten 1,10 meter vanaf de kantstreep bestaat de rijdende afzetting uit minimaal één voorwaarschuwingswagen op de vluchtstrook, circa 100 meter voor het nulpunt. Deze zogenoemde vluchtstrookwagen combineert de functies van inleidende bebording en begin werkvak.
Het aantal benodigde voorwaarschuwingswagens hangt af van het ter plaatse geldende snelheidsregime en de gehanteerde snelheidsbeperking. Het snelheidsverschil mag maximaal 50 km/h bedragen. Dit betekent dat bij een tijdelijke snelheidsbeperking tot 70 km/h ter plaatse van een snelheidsregime van 130 km/h, twee voorwaarschuwingswagens met snelheidsbeperking moeten worden toegepast (met 90 km/h en 70 km/h).
Bij toepassing van twee voorwaarschuwingswagens, staan deze op een onderlinge afstand van circa 100 m.
Voor het principe bij dynamische werkzaamheden op de vluchtstrook binnen 1,10 meter vanaf de kantstreep (gemeten vanaf de buitenzijde van de kantstreep) wordt verwezen naar principe 1000P08 Rijdende afzetting op rechterrijstrook.
[ link ]
Figuur 4-6 Principe 1000P07 Rijdende afzetting op vluchtstrook
Uitvoering en voorwaarden:
- Bij een rijdende afzetting op de vluchtstrook wordt een snelheidsbeperking van 70 km/h gehanteerd. Alleen als wegwerkers zich niet buiten de voertuigen bevinden, kan een snelheidsbeperking van 90 km/h worden gehanteerd.
- Op rijbanen met rijstrooksignalering wordt bij wegwerkers buiten de werkvoertuigen 70 km/h ingesteld op de rijstrook direct langs het werkvak en 90 km/h op de andere rijstroken (alleen bij rijdende afzettingen op de rechtervluchtstrook).
- Al het materieel, zowel vluchtstrookwagen als werkvoertuigen, moet zich minimaal 1,10 meter buiten de kantstreep bevinden om de aanrijdingskans van de vluchtstrookwagen en de werkvoertuigen te beperken.
- De werkruimte bij rijdende afzettingen op de vluchtstrook met wegwerkers buiten de werkvoertuigen is maximaal 200 meter lang.
- De werkruimte wordt ‘gemarkeerd’ door een werkvoertuig bij het begin van de werkruimte (100 meter na de vluchtstrookwagen) en een eindewagen aan het einde van het werkvak.
- Wanneer zich wegwerkers buiten de voertuigen op de vluchtstrook bevinden binnen 1,10 meter vanaf de kantstreep, moet gekozen worden voor een rijdende afzetting op de rijstrook naast de vluchtstrook.
Overige situaties:
- Bij werkzaamheden korter of gelijk aan 30 minuten op één plek, rechts naast de rijbaan. Hierbij is het niet noodzakelijk om een snelheidsbeperking in te voeren.
- Bij dynamische werkzaamheden op de vluchtstrook buiten 1,10m vanaf de kantstreep, korter dan 30 minuten op één plek, bestaat de maatregel uit een opvallend werkvoertuig. Hierbij is het niet noodzakelijk om een snelheidsbeperking in te voeren.