Profielbreedte en aantal rijstroken
Op basis van de benodigde capaciteit en het daaruit afgeleide aantal rijstroken per rijrichting wordt de gewenste (of noodzakelijke) profielbreedte van de verkeersruimte bepaald. De benodigde verkeersruimte is afhankelijk van de volgende weg- en verkeerskenmerken:
- het gewenste aantal rijstroken langs het werkvak;
- de aanwezigheid van verkeer in een of in twee richtingen langs het werkvak;
- de toegestane snelheid bij werk in uitvoering;
- de maatgevende ontmoeting;
- de samenstelling van het verkeer.
Voor wegen binnen en buiten de bebouwde kom speelt de maatgevende ontmoeting een grote rol. De maatgevende ontmoeting is af te leiden van het benodigde aantal rijstroken per rijrichting (voor autoverkeer) en de aanwezigheid of afscheiding van fietsers en bromfietsers. De maatgevende ontmoeting is gedefinieerd als de combinatie van voertuigen en/of verkeersdeelnemers die tegelijkertijd moeten kunnen passeren, bijvoorbeeld auto–auto (twee naast elkaar rijdende of elkaar tegemoetkomende auto’s)of fiets–auto–fiets (auto die fietser inhaalt terwijl er ook een fiets uit de tegenrichting passeert). De profielbreedte van de verkeersruimte wordt bepaald op basis van deze maatgevende ontmoeting.
Voor de maatgevende ontmoeting is het van belang of de verkeersruimte bedoeld is voor verkeer in een of twee richtingen. Ook is van belang of een weg enkelbaans of dubbelbaans is. Bij werkzaamheden naast enkelbaans wegen zonder rijrichtingscheiding zijn andere maatregelen nodig (bijvoorbeeld een wisselstrook) dan bij werkzaamheden naast dubbelbaans wegen met een middenberm of een niet-overrijdbare rijrichtingscheiding (bijvoorbeeld versmallen van twee rijstroken naar één rijstrook).
In paragraaf 3.4 van 'Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen' [17] is voor verschillende situaties en maatgevende ontmoetingen de benodigde verkeersruimte aangegeven. Per tabel is één van de volgende situaties weergegeven:
- verkeersruimte bij twee rijstroken met verkeer in één richting;
- verkeersruimte bij (twee rijstroken met) verkeer in twee richtingen;
- verkeersruimte bij een rijstrook met verkeer in één richting;
- verkeersruimte bij een rijstrook met verkeer in twee richtingen;
- verkeersruimte met alleen bromfiets- en fietsverkeer;
- verkeersruimte voor voetpaden en voetgangersgebieden.
Voor een juiste bepaling van de benodigde verkeersruimte moet naar alle verkeerssoorten worden gekeken, dus niet alleen naar het gemotoriseerd verkeer op de hoofdrijbaan. Ook het langzaam verkeer op de rijbaan of op aparte voorzieningen moet in de afwegingen worden betrokken. Verder moet rekening worden gehouden met de afwikkeling van gemotoriseerde gehandicaptenvoertuigen en brommobielen. Voor de maatvoering van deze voertuigen wordt verwezen naar CROW-publicatie 723 'ASVV 2012' [9] en/of CROW-publicatie 328 'Handboek Wegontwerp 2013 - Basiscriteria' [4].
Bij het indelen van de verkeersruimte moeten soms keuzes worden gemaakt. Het is niet de bedoeling dat alle verkeersdeelnemers het werkvak nog maar net kunnen passeren. Is de verkeersruimte niet voldoende, dan is het noodzakelijk als eerste de voetgangers en fietsers te faciliteren. Vervolgens wordt beoordeeld of er nog auto’s langs het werkvak kunnen worden geleid. Op busroutes krijgen de bussen een hoge prioriteit, zo nodig ten koste van ander autoverkeer.
Op gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom met Vmax = 50 km/h en op erftoegangswegen binnen en buiten de bebouwde kom met vrijliggende fietspaden, worden bromfietsers in principe afgewikkeld op de rijbaan voor autoverkeer. In deze situaties is de benodigde verkeersruimte bij wegwerkzaamheden gelijk aan de verkeersruimte zonder fietsers bij Vwiu = 50 of 30 km/h.
Er hoeft geen extra ruimte gereserveerd te worden voor de bromfiets. De bromfiets is in deze situaties qua snelheid vergelijkbaar met de auto. Auto’s worden geacht achter de bromfiets te blijven rijden en deze dus niet in te halen.
De kwaliteit van een fiets- en/of voetgangersvoorziening voor het werkvak moet zo veel mogelijk worden doorgezet langs het werkvak. Op fietspaden met fietsers in twee richtingen moet altijd rekening worden gehouden met twee fietsers naast elkaar (een fietser per rijrichting). Op fietspaden met fietsers in een richting wordt bij voorkeur ook uitgegaan van twee fietsers naast elkaar. Deze eisen gelden ook in het geval dat fietsers via de hoofdrijbaan langs het werkvak worden geleid. De minimale breedte van de tijdelijke verkeersruimte neemt toe naarmate het aantal fietsers dat van deze ruimte gebruikmaakt, groter is (zie paragraaf 3.4 van 'Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen' [17], tabel Verkeersruimte met alleen bromfiets- en fietsverkeer). De benodigde verkeersruimte voor fietsers op tijdelijke fietsstroken is gebaseerd op Vwiu = 30 km/h, zijnde de maximale snelheid bij werk in uitvoering waarbij auto- en fietsverkeer worden gemengd.
Op erftoegangswegen (binnen de bebouwde kom met Vmax ≤ 30 km/h en buiten de bebouwde kom met Vmax ≤ 60 km/h) mag gekozen worden voor een profiel waarin de fietsers gemengd met het autoverkeer worden afgewikkeld, op voorwaarde dat in de reguliere situatie ook geen aparte fietsvoorzieningen aanwezig zijn. Op gebiedsontsluitingswegen zijn voorzieningen noodzakelijk in de vorm van een tijdelijke fietsstrook of een tijdelijk fietspad.
Bij wegwerkzaamheden op voetpaden en in voetgangersgebieden moet altijd rekening worden gehouden met minimaal twee voetgangers naast elkaar. Verder moet de overblijvende ruimte bruikbaar blijven voor rolstoelgebruikers, wat in beginsel neerkomt op een breedte van 1,50 meter.
Bij versmallingen korter dan 10 meter kan met een breedte van 1,20 meter worden volstaan en bij puntvernauwingen (lichtmast, boom en dergelijke) met 0,90 meter. Alleen bij kortdurende werkzaamheden (≤ 2 uur) kan de tijdelijke verkeersruimte worden afgestemd op de breedte van een voetganger, mits de lengte van het werkvak niet groter is dan 10 meter en er een alternatieve route beschikbaar is voor rolstoelgebruikers.
Langs geleidebakens, verkeerskegels en barriers moet rekening worden gehouden met een ruimte vanwege obstakelvrees van minimaal 0,15 meter. Als het voetpad direct naast een fietspad, rijbaan of ander obstakel ligt (zoals hekken of muren), moet aan die zijde eveneens rekening worden gehouden met een ruimte vanwege obstakelvrees van minimaal 0,15 meter. Deze eisen gelden ook in het geval dat voetgangers via de hoofdrijbaan langs het werkvak worden geleid. De minimale breedte van de tijdelijke verkeersruimte voor voetgangers neemt toe naarmate het aantal voetgangers groter is (zie paragraaf 3.4 van 'Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen' [17], tabel Verkeersruimte voor voetpaden en voetgangergebieden).
Bij het bepalen van de verkeersruimte voor (brom)fietsers en/ of voetgangers spelen ook de volgende aspecten een rol:
- het aantal (brom)fietsers en voetgangers;
- de eventuele aanwezigheid van bromfietsers op de rijbaan;
- de noodzaak voor fietsers om af te stappen;
- de eventuele aanwezigheid van fietsers op het voetpad;
- de eventuele aanwezigheid van ruimte om voertuigen te parkeren en stallen;
- de bereikbaarheid van de haltes van het openbaar vervoer;
- de aanwezigheid van bochten.