Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

2023 – Modules – Werken in en met verontreinigde bodem
Deze tekst is gepubliceerd op 15-05-17

Filters tegen dampen en gassen

Op filters tegen dampen en gassen staan letters zoals A, B, E, Hg, K, NO, SX en R. Deze letters staan voor de soorten gassen en dampen waartegen bescherming wordt geboden. De letters worden elk gevolgd door een cijfer dat de capaciteitscategorie (de nominale protectiefactor ofwel NPF) aangeeft. Bij de keuze van type filter en NPF moet de veiligheidskundige ook rekening houden met de omstandigheden waar een medewerker op locatie mee te maken heeft. Aangezien de NPF is gebaseerd op testen onder laboratoriumomstandigheden, is het voor de veiligheidskundige noodzakelijk om in zijn selectie en onderbouwing rekening te houden met de TPF (Toegepaste Protectiefactor). De TPF-waarden zijn nader beschreven in de NEN-EN529.
Het type filter wordt ook aangeduid door een of meer kleurenbanden. Bij de keuze van een filter is het uiteraard van belang dat het filter bescherming biedt tegen alle stoffen en/of dampen/gassen waartegen bescherming nodig is. Er bestaan filters die bescherming bieden tegen combinaties van stoffen en dampen/gassen. Zie tabel M12-1.
Tabel M12-1. Overzicht van filtertypen die bescherming bieden tegen gassen en dampen
TypeKleurOmschrijving
AbruinOrganische dampen van oplosmiddelen, dampen van koolwaterstoffen, esters, alcoholen en organische nitroverbindingen. Kookpunt ≥ 65ºC.
AXbruinOrganische dampen van oplosmiddelen, dampen van koolwaterstoffen, esters, alcoholen en organische nitroverbindingen. Kookpunt ≤ 65ºC.
BgrijsZure dampen en gassen, halogenen, halogeenkoolwaterstofverbindingen, organische zuren, metaaldampen en nitreuze gassen, met uitzondering van koolmonoxide.
EgeelZwaveldioxide en anorganische dampen van zuren.
KgroenAmmoniak.
NOblauw-witStikstofoxiden.
HgroodKwikdamp.
RoranjeRadioactief jodium en verbindingen daarvan.
SXvioletSpecifieke gassen en dampen.
Voorbeeld
De aanduiding A2B2E2K1/P3 geeft aan dat het gaat om een combinatiefilter dat bescherming biedt tegen de inademing van gassen en dampen A, B, E en K en stof P3 tot concentraties zoals aangegeven door de capaciteitscategorie (2 voor A, B en E, en 1 voor K). Het filter is herkenbaar aan de combinatie van een bruine, grijze, gele, groene en witte kleurenband. Dit combinatiefilter wordt meestal toegepast wanneer de aard van de verontreiniging onbekend is of wanneer vaten, blikken, bussen en dergelijke met onbekende inhoud worden aangetroffen.

Filters ter bescherming tegen dampen en gassen zijn qua capaciteit ingedeeld in drie categorieën, die worden aangeduid met cijfers. Deze capaciteitscategorieën zijn:
  1. lage capaciteit, voor concentraties tot 0,1% vol. (= 1.000 ppm);
  2. middencapaciteit, voor concentraties tot 0,5% vol. (= 5.000 ppm);
  3. hoge capaciteit, voor concentraties tot 1% vol. (= 10.000 ppm).
Op de chemiekaart van een stof staat aangegeven welk type filter bescherming biedt tegen deze stof. Als meerdere stoffen bepalend zijn, moet een filtertype gekozen worden dat is afgestemd op al deze stoffen.
Voorbeeld 1
Bij verontreinigingen op gasfabriekterreinen worden vaak filters met de combinatie A2P3 toegepast. Het is echter de vraag is of dit een juiste keuze is. Op deze terreinen komen in veel gevallen namelijk vooral de stofgroepen BTEX (benzeen, tolueen, xyleen en ethylbenzeen) en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) voor in combinatie met zware metalen. Als er vrij cyanide aanwezig is, of als complex cyanide onder invloed van temperatuur kan worden omgezet in vrij cyanide, moet een filter met de combinatie A2B2P3 worden gekozen.

Voorbeeld 2
Bij baggeren komen vaak zware metalen, PCB’s en minerale olie voor. Hiervoor dient een P3-filter gebruikt te worden. Vaak komt ook H2S als natuurlijk gas voor. In dat geval moeten filters met de combinatie A/BP3 worden toegepast. Als ook vinylchloride voorkomt, moet minimaal een filter met de combinatie AX-BP3 worden gekozen. De keuze van een combinatiefilter moet daarnaast worden afgestemd op de benodigde capaciteit (zie het overzicht onder tabel M12-1). Bij aerosolen moet een stoffilter worden toegepast met een SL-aanduiding.

Of gekozen moet worden voor een volgelaatsmasker of voor een halfgelaatsmasker met een op de werkzaamheden en de verontreiniging afgestemd filter, hangt af van de hoogte van de concentraties die kunnen voorkomen, de mogelijkheid dat de stof door de huid het lichaam binnendringt (in de grenswaardenlijst aangeduid met H) en/of de aanwezigheid van kankerverwekkende stoffen. In de laatste twee gevallen moet altijd worden gekozen voor volgelaatsmaskers (dus ook bij aanwezigheid van asbest). Bij langdurige en inspannende werkzaamheden moet een motorondersteunde filtereenheid (aanblaasunit) worden gebruikt.
Het is niet toegestaan om met adembescherming materieel te bedienen vanuit een cabine. Indien het technisch niet mogelijk is een cabine op materieel te plaatsen, kan in overleg met de veiligheidskundige besloten worden dat het dragen van PBM’s, inclusief adembescherming op het materieel noodzakelijk is. Op aangeven van de veiligheidskundige moet in de cabine van een kraan een (vlucht)masker aanwezig zijn dat is afgestemd op de verontreiniging. Dit kan worden gebruikt bij het doorslaan van filters, het uitvallen van het filteroverdruksysteem of calamiteiten waarbij de filteroverdruksituatie moet worden verlaten terwijl men zich binnen de verontreinigde zone bevindt.