Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

2023 – Modules – Werken in en met verontreinigde bodem
Deze tekst is gepubliceerd op 15-05-17

Schoonhouden en onderhoud van materieel

Materieel en gereedschap moeten zo vaak worden schoongemaakt als nodig is om verstuiving van opgedroogde verontreinigde (water)bodem en dus stofvorming te voorkomen. Wanneer stofvorming zou kunnen optreden, moet dit worden voorkomen door het terrein/materieel waar nodig te bevochtigen. Hiertoe moet een sproei-installatie aanwezig zijn waarvan de capaciteit in overeenstemming is met de te verwachten stofvorming.
Gangboorden van beunbakken en -schepen worden na het laden geheel schoongemaakt. Dit gebeurt door materiaal dat in de gangboorden is gemorst in het laadvlak te scheppen en te vegen (mits vochtig) en als laatste (waar toegestaan) de gangboorden af te spoelen.
Bij werkzaamheden aan (pers)leidingen als onderdeel van de installatie van het materieel is het noodzakelijk om de leidingen eerst te spoelen. Bij inspectie van leidingen moeten de medewerkers beschikken over de door de veiligheidskundige vastgestelde PBM.
Het materieel dat in de verontreinigde zone is ingezet, moet bij demobilisatie grondig gereinigd worden, voordat de werkplek verlaten wordt. Hierbij moet aerosolvorming zo veel mogelijk worden voorkomen door met lage druk te werken. Bij het reinigen van het materieel moeten de door de veiligheidskundige vastgestelde PBM worden gedragen. Bij het reinigen van materieel dient men ook rekening te houden dat ook de motorruimte vervuild geraakt kan zijn. Ook de motorruimte dient in dat geval schoongespoeld te worden.
Ook voorafgaand aan onderhoudswerk, reparaties of het opheffen van storingen moeten de desbetreffende verontreinigde onderdelen en de motorruimte eerst worden schoongemaakt. Uitsluitend bij onderhoudswerkzaamheden aan het materieel waarbij personen in aanraking kunnen komen met de verontreinigde (water)bodem, wordt het gedeelte van het materieel dat vuil kan worden aangemerkt als verontreinigde zone. Er moeten dan arbeidshygiënische maatregelen worden getroffen om veilig en gezond te kunnen werken. Deze maatregelen worden vastgesteld door de betrokken veiligheidskundige.
Bij onderhoud aan (pers)leidingen en bij calamiteiten waarbij contact met de verontreinigde (water)bodem mogelijk is, moeten de maatregelen zijn afgestemd op de veiligheidsklasse waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd als de systemen vooraf niet gespoeld zijn. Bij goed (af)gespoelde ontgravings- en leidingsystemen gelden er geen expliciete eisen ten aanzien van PBM, mits de omliggende (water)bodem is afgeschermd.