Halteafstanden
De volgende factoren zijn van invloed op de bepaling van halteafstanden:
- Loopafstand (voor- en natransport): hoe lager de haltedichtheid, hoe groter de kans dat men verder naar een halte moet lopen.
- Gemiddelde lengte van de verplaatsingen: hoe groter de verplaatsingsafstand van de reizigers, hoe groter de acceptatie van de voor- en natransporttijd.
- Dichtheid van het lijnennet: hoe verder de lijnen van elkaar liggen (hoe geringer de zogenoemde parallelliteit), hoe meer haltes zij er op een lijn nodig zijn.
- Rittijd: veel haltes veroorzaken veel oponthoud en dus een langere rittijd, met als mogelijk gevolg dat meer trams of bussen moeten worden ingezet.
- Bebouwingsdichtheid: bij een lage bebouwingsdichtheid wordt een langere loopafstand naar de haltes geaccepteerd.
Afhankelijk van het vervoerssysteem worden de volgende halteafstanden geadviseerd:
- N1 internationale systemen: een halte in de grote steden met halteafstanden van 50-200 kilometer.
- N2-systemen: een intercityknooppunt met halteafstanden tussen de 18 en 20 kilometer.
- N3-systemen: in de bebouwde kom van de kernen een centrale halte of halteafstanden van meer dan 1200 meter, tussen de kernen grotere halteafstanden of geen haltes.
- N4-systemen: in de bebouwde omgeving 800-1200 meter, in binnensteden 600-800 meter, tussen kernen grotere halteafstanden.
- N5-systemen: 400-600 meter.
Deze halteafstanden hangen samen met de maaswijdte van het lijnennet (zie paragraaf 2.8 van [8.35]).
De verschillende ov-systemen zijn:
- N1 internationale verbindingen, trein en internationale bussen zoals Flixbus.
- N2 nationale hoofdverbindingen zoals Intercity Direct en Intercity, die tot het hoofdrailnet behoren, alsmede snelle treinen in de regionale netwerken.
- N3 regionale verbindingen zoals Sprinters, metro's, randstadrail, randstadspoor en HOV-busverbindingen zoals de Zuidtangent en andere R-net/Q-liner/Brabantliner-verbindingen.
- N4 (boven)lokale verbindingen zoals trams, bussen en HOV-busverbindingen zoals de HOV-bus naar de Uithof in Utrecht of de Q-liners in Groningen (lokaal is geen gemeentegrens, maar de afbakening van een aaneengesloten stedelijk gebied).
- N5 ontsluitende verbindingen van allerlei soort en aard zoals de stadsbus, en MaaS-achtige systemen en Flexsystemen; zij kunnen een lijndienst zijn, maar ook oproepgestuurd.