Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

ASVV 2021
Deze tekst is gepubliceerd op 16-10-12

Integrale benadering

Mensen wonen, werken en recreëren meestal op verschillende locaties, waardoor verplaatsingsbehoefte ontstaat. Verkeer is hiervan het gevolg. Dit verkeer wordt gefaciliteerd door het verkeerssysteem, dat daarmee een voorwaarde vormt voor het wonen, werken en recreëren; dus voor het functioneren van de samenleving.
Verkeer en verkeersvoorzieningen kunnen echter ook een verstorende, belemmerende of schadelijke invloed hebben op de omgeving. Om deze invloeden zo beperkt mogelijk te houden, moet bij het ontwerp van verkeersvoorzieningen rekening worden gehouden met algemeen-planologische, stedenbouwkundige, milieutechnische en sociale aspecten. Het ontwerp moet ook worden afgestemd op het toekomstige gebruik en onderhoud (beheerbewust ontwerpen, 'circulaire economie'). Daarbij spelen onder meer civieltechnische en financiële aspecten een rol. Kosten en subsidieregelingen zijn echter geregeld aan wijzigingen onderhevig, waardoor zij buiten het bestek van deze publicatie vallen.
Het belang dat de samenleving hecht aan verkeer en infrastructuur komt sterk tot uitdrukking in de financiële middelen die daarvoor ter beschikking worden gesteld. Omgekeerd bieden nieuwe of aangepaste verkeersvoorzieningen vaak ontwikkelingsmogelijkheden die voor de ruimtelijke ordening of voor de economie van grote waarde zijn. Door integrale oplossingen en ontwerpen:
  • worden de kansen voor waardevermeerdering optimaal benut, op elk schaalniveau;
  • wordt het onderscheid tussen verschillende ruimtelijke disciplines kleiner;
  • worden de ruimtelijke, verkeers-, milieu-, economische en woningbouwaspecten in samenhang bezien;
  • wint het plan aanmerkelijk aan kwaliteit;
  • wordt de nadelige invloed van het verkeer op de omgeving beperkt.
Om de leefomgeving te verbeteren, heeft het kabinet besloten om voor ruimte en mobiliteit tot 2040 nog diverse maatregelen te treffen. Deze maatregelen hebben tot doel te zorgen voor:
  • goede verbindingswegen tussen dorpen en steden;
  • woonwijken en werklocaties die aansluiten op de vraag van mensen;
  • een gezonde leefomgeving: de kwaliteit van de bodem, water en lucht voldoet minimaal aan de (internationale) normen;
  • bescherming tegen overstromingen (bijvoorbeeld via de Deltawerken) en genoeg zoetwater in droge perioden;
  • behoud van cultuur en landschappen die uniek zijn voor Nederland of de hele wereld;
  • behoud van de flora- en faunasoorten [7.1].
De vraag van bewoners, bedrijven en organisaties naar infrastructuur of gebouwen wordt daarbij leidend in de gebiedsontwikkeling. Wel wil het kabinet zorgvuldig omgaan met de ruimte. Regio's die willen bouwen, moeten daarom eerst een aantal stappen doorlopen:
  • nagaan of er behoefte is aan de nieuwe voorziening;
  • kijken of een bestaand gebied of gebouw kan worden hergebruikt;
  • indien nieuwbouw nodig is, altijd zorgen voor een optimale bereikbaarheid.
Het stappenplan Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) heet ‘de ladder voor duurzame verstedelijking' en is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) [7.1], [7.69].
De sector milieu gebruikt vaak de Trias Energetica. Deze helpt een zo duurzaam mogelijke energievoorziening te bereiken en bestaat uit drie stappen:
  1. Beperk de energievraag. Pas dus maatregelen toe die zo min mogelijk energie gebruiken.
  2. Gebruik energie uit hernieuwbare bronnen. Gebruik dus duurzame energiebronnen als er energie gebruikt moet worden.
  3. Gebruik eindige energiebronnen efficiënt. Gebruik eindige energiebronnen als olie en gas met een zo hoog mogelijk rendement als er geen duurzame energiebronnen gebruikt kunnen worden.
Door deze stappen toe te passen, worden klimaat en milieu minimaal belast en gaat de energievoorraad het langst mee, zie de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland [7.2].
Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en Rijk om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. In 2050 moet deze inrichting klaar zijn. Om dat te bereiken, moet ruimtelijke adaptatie in het beheer, het onderhoud en de inrichting van de leefomgeving geborgd worden. Dat doen de overheid en private partijen via wetten, visies, plannen en standaarden. Zie de website klimaatadaptatienederland.nl [7.54].
Belang van de niet-verkeerskundige aspecten
Bepalend voor het belang van de verkeersgerelateerde (niet-verkeerskundige) aspecten zijn in de eerste plaats het aard en de karakter van de omgeving. Vrijwel alle aspecten spelen een nadrukkelijke rol in centra en gemengde gebieden. Ook in woonwijken komen de meeste niet-verkeerskundige aspecten in meer of mindere mate aan de orde. In recreatiegebieden en op bedrijventerreinen is een beperkter aantal van deze aspecten van belang. De 'gevoeligheid' van de omgeving neemt toe naarmate er sprake is van een hoge bevolkingsdichtheid en gebruiksintensiteit van de omgeving, of van een historisch of landschappelijk karakter.
De normen en uitgangspunten van de niet-verkeerskundige aspecten hebben een verschillende mate van hardheid. Zij kunnen zijn gebaseerd op:
  • Wet- en regelgeving (zie hoofdstuk 4). Deze zijn bindend, afgezien van eventuele vrijstellingsmogelijkheden of andere flexibiliteitbepalingen. De jurisprudentie (rechterlijke uitspraken naar aanleiding van geschillen) is ten minste richtinggevend.
  • Beleidsstukken op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Zij zijn bepalend voor de totstandkoming en, in mindere mate, ook voor de vormgeving van verkeersvoorzieningen. Het bevoegd gezag zet in een structuurvisie de beleidslijnen uit. Deze hebben in principe geen juridische status, maar zijn voor opstellers wel bindend en richtinggevend. De grootste hardheid heeft echter het bestemmingsplan, dat is bindend voor zowel de overheid als de burgers. Op gemeentelijk niveau kunnen normen en uitgangspunten ook worden ontleend aan stedenbouwkundige programma's van eisen, beeldkwaliteitplannen, milieubeleidsplannen, enzovoort. Ook de hardheid van financiële aspecten is meestal vrij groot: gemeentelijke budgetten, vastgelegd in een (meerjaren)begroting, beperken de hoeveelheid te besteden geld, waardoor prioriteiten moeten worden gesteld en het budget richtinggevend kan zijn voor het ontwerp.
  • Technische normen en uitgangspunten. In beginsel is elk probleem technisch oplosbaar, maar met sommige oplossingen gaan onevenredig hoge aanleg- en/of onderhoudskosten gepaard. De hardheid van de technische normen en uitgangspunten kan dus eveneens vrij groot zijn.
  • Onderzoeksgegevens. De hardheid hiervan is vrij groot. Hoewel bijvoorbeeld sociaal-economische en demografische prognoses niet hard zijn, zijn zij voor de verkeerskundige de enige waarop de dimensionering en de vormgeving van verkeersvoorzieningen kunnen worden afgestemd.
  • Invloed van belanghebbenden. Zij kunnen zich actief opstellen en daardoor een duidelijke invloed hebben op het ontwerp. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij economische aspecten (bereikbaarheid).
  • Vormgeving. Uiteraard is het vormgevingsaspect van de stedenbouwkundige en de landschapsdiscipline deels een creatief proces met dus subjectieve kanten. In complexe situaties moet de stedenbouwkundige een veelheid van (vaak strijdige) aspecten en belangen in zijn ontwerp integreren, waarbij sommige afwegingen en keuzes tijdsgebonden zijn. Normen en uitgangspunten, vaak stapsgewijze vastgelegd via besluitvorming, komen mede tot stand door inbreng van andere disciplines, waaronder de verkeerskunde. Een goede en tijdige wisselwerking tussen de verschillende disciplines is tijdens de diverse procesfasen daarom van groot belang.
In de paragrafen 7.2, 7.3, 7.4, 7.5, 7.6, 7.7, 7.8 en 7.9 komen de verkeersgerelateerde (niet-verkeerskundige) aspecten stuk voor stuk aan de orde. Deze paragrafen zijn meestal als volgt opgebouwd:
  • Een toelichting, waarin de relatie met de verkeerskunde kort wordt beschreven.
  • Het ogenblik en de manier waarop het aspect in de planvorming aan de orde komt.
  • Een opsomming van de deelaspecten, aangevuld met een beknopte toelichting met voorbeelden.
  • Normen en indicatieve getallen.
  • Verwijzingen naar literatuur die meer informatie geeft.