Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

ASVV 2021
Deze tekst is gepubliceerd op 23-10-12

Medegebruik busbanen en busstroken

Exclusieve stroken voor het openbaar vervoer, aangeduid door het woord 'LIJNBUS', worden in het algemeen aangelegd wanneer de infrastructuur die aan alle verkeersdeelnemers ter beschikking staat, voor het openbaar vervoer tekortschiet. Overwegingen kunnen daarbij zijn: een efficiënte exploitatie, het lokale verkeersbeleid, een betere regelmaat van het openbaar vervoer, meer comfort en minder stagnatie.

Veelvuldig wordt aangedrongen op het toestaan van medegebruik door andere categorieën verkeersdeelnemers dan het openbaar vervoer. Medegebruik is in beginsel mogelijk doordat de wetgever ook de mogelijkheid geeft busbanen of -stroken aan te duiden met 'BUS' (artikel 81 van het RVV 1990) [8.36]. Van een dergelijke strook of baan mogen ook bestuurders van een touringcar gebruikmaken.
Daarnaast kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen voor busbanen of -stroken aangeduid met 'LIJNBUS' of 'BUS' op basis van artikel 87 van het RVV 1990. Over het algemeen wordt daarbij aan de volgende categorieën ontheffing verleend:
  1. Niet-lijndienstvoertuigen van een vervoerbedrijf, zoals materieelritten, testritten, ritten van de technische dienst van het vervoerbedrijf en van controlepersoneel.
  2. Voertuigen van de wegbeheerder (gemeente, provincie of Rijk), bijvoorbeeld voor onderhoud of van nutsbedrijven voor werkzaamheden ter plaatse.
  3. Hulpvoertuigen van ambulance, brandweer of politie.
  4. Taxi’s.
Het medegebruik van een busstrook door weggebruikers die niet tot een vermelde categorie behoren, wordt gezien als misbruik.
Voordat een wegbeheerder met medegebruik instemt, wordt aanbevolen dat deze een afweging maakt tussen de voor- en nadelen ervan en de consequenties van het medegebruik te bezien.
De voordelen voor de medegebruiker zijn evident: hij kan zijn route vaak sneller afleggen dan via andere weggedeelten. Nadelen voor de medegebruiker kunnen optreden bij verkeersregelinstallaties, vooral als het tram- of buslicht alleen op aanvraag groen toont. Ook kan de medegebruiker aan het eind van de busstrook een door hem ongewenste richting moeten volgen. Er kunnen conflicten onstaan als hij een andere richting wil inslaan dan waarmee in het ontwerp van de verkeerslichtenregeling is rekening gehouden.
Het openbaar vervoer, de verkeerscategorie waarvoor de busstrook is ontworpen, ondervindt ook nadelen bij medegebruik. Als zich bij een verkeersregelinstallatie medegebruikers opstellen, kan de bus of de tram wellicht een aldaar gelegen halteplaats of een detectielus voor de verkeerslichtenbeïnvloeding alleen met vertraging bereiken. Het openbaar vervoer kan ook hinder van medegebruikers ondervinden bij het oprijden van de busstrook en van medegebruikers die halterende voertuigen passeren. Deze hinder mag niet leiden tot een verstoring van de dienstuitvoering of tot een toename van de reistijd en de exploitatiekosten. Op een busstrook kan spoorvorming optreden. Bij regen kunnen in de sporen plassen ontstaan. Medegebruikers die langs een halte rijden, kunnen wachtende reizigers daardoor nat spatten. Door de lage snelheid van halterende bussen is dat bij bussen in mindere mate een probleem.
Zelfs het overige verkeer, dat niet over de busstrook rijdt, kan nadeel ondervinden van de medegebruiker. Er kan een onveilige situatie ontstaan door conflicterende bewegingen bij verkeerslichten op de busstrook. Verder kan als de verkeersregeling aan het medegebruik wordt aangepast de wachttijd voor het overige verkeer toenemen doordat aan de medegebruiker een langere exclusieve groentijd moet worden verleend. Dit laatste kan vooral nodig zijn als rekening moet worden gehouden met alle mogelijke rijrichtingen vanaf de busstrook. Ten slotte verwachten weggebruikers, ook voetgangers, die de busstrook kruisen daar alleen bussen of trams. Hierdoor kan een onveilige situatie ontstaan als ook andere (minder specifiek herkenbare) weggebruikers de busstrook volgen.
Vaak zijn de verkeersregelinstallaties op een busstrook voorzien van selectieve detectie voor beïnvloeding door het openbaar vervoer. Medegebruik kan worden toegestaan als de medegebruiker over de benodigde apparatuur beschikt en het regelprogramma erop is ingericht, anders moeten er specifieke voorzieningen voor de medegebruiker worden aangebracht. Apparatuur voor beïnvloeding van de verkeersregeling door medegebruikers wordt alleen onder strenge voorwaarden ter beschikking gesteld. Deze voorwaarden kunnen zijn dat de apparatuur alleen op bepaalde kruispunten of rijrichtingen wordt gebruikt.
Als in een busstrook een bussluis is aangebracht, kan medegebruik aan voertuigen met een andere spoorwijdte dan ongeveer die van de bus niet worden toegestaan.
Misbruik van een busstrook moet worden voorkomen. Het is belangrijk dat voor de andere weggebruikers de noodzaak van de busstrook duidelijk is. Ook de noodzaak van het eventuele medegebruik moet duidelijk zijn. Medegebruik kan de acceptatie van een busstrook verhogen omdat een beter gebruik van de infrastructuur wordt gemaakt.
Lijndienstvoertuigen van een openbaarvervoerbedrijf zijn goed herkenbaar. Ook over trams bestaat geen twijfel of deze deel uitmaken van het openbaar vervoer. Als echter medegebruikers met een ontheffing op een busstrook worden toegelaten, ontstaat in verband met de controle door de politie en de duidelijkheid voor andere weggebruikers de behoefte aan herkenbaarheid. Twee categorieën medegebruikers voldoen in zekere mate daaraan, namelijk de hulpvoertuigen van politie, brandweer en ambulance met de gebruikelijke signalen en taxi's, mits deze zijn voorzien van een taxibord op het dak. Voor de overige medegebruikers bestaan geen algemeen herkenbare tekens. Als de wegbeheerder een ontheffing voor medegebruik verleent, kunnen daarin voorwaarden worden opgenomen om de herkenbaarheid toch te verzekeren.
Als medegebruik aan bepaalde categorieën verkeersdeelnemers wordt toegestaan, moeten de volgende vormgevingsaspecten van de busstrook aandacht te krijgen. Door het medegebruik stijgt de voertuigintensiteit op de busstrook, waardoor de oversteekbaarheid afneemt. Dit kan een nadelige invloed hebben op de bereikbaarheid van de haltes. Het met hoge snelheid voorbijrijden van een halte door medegebruikers kan leiden tot onveilige situaties voor wachtende reizigers. Ook het voorbijrijden van een halterende bus door een medegebruiker kan gevaar opleveren. Het begin van een busstrook moet zodanig zijn vormgegeven dat de medegebruikers er nadrukkelijk opmerkzaam op worden gemaakt dat zij een bijzondere manoeuvre moeten uitvoeren. Achteropkomende voertuigen die niet zijn toegelaten, zullen een medegebruiker in dat geval ook niet zo gauw volgen.
Op busstroken moet het woord '(LIJN)BUS' zijn aangebracht. In beginsel worden daarbij geen borden geplaatst aangezien het gebruik al geregeld is in artikel 81 van het RVV 1990. Afhankelijk van waarvoor wordt gekozen, moet het einde van de busstrook zodanig zijn vormgegeven dat medegebruikers een bepaalde rijrichting juist wel of juist niet kunnen volgen. Zo veel mogelijk moet worden vermeden dat medegebruikers de busstrook verlaten waar dit ontoelaatbaar of ongewenst is. Het is mogelijk om voor de stroken de verkeersborden F13 tot en met F18 te gebruiken afhankelijk van de situatie.
Een doelgroepstrook is een rijstrook waarvan het gebruik door middel van verkeerstekens is beperkt tot een of meer voertuigcategorieën. Bijvoorbeeld met bord F19/F20 ‘(eind) Verplichte rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van vrachtauto’s en lijnbussen’. De strook wordt niet gemarkeerd als 'BUS' of 'LIJNBUS' strook.
De markering van de doelgroepstrook bestaat uit een 3-9 streep van 0,15 meter breed. De eerste 100 meter van een doelgroepstrook wordt met een doorgetrokken streep uitgevoerd. Behalve de markering kan ook een fysieke scheiding worden toegepast om deze strook van overige stroken te scheiden. Dit verhoogt de veiligheid in het geval er snelheidsverschillen optreden tussen verkeer op de doelgroepstrook en het overige verkeer [8.30]. Een geheel andere vorm van medegebruik is het beperkt toelaten van rijverkeer in voetgangersgebieden.