Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

ASVV 2021
Deze tekst is gepubliceerd op 25-10-12

Ontwerpeisen

Bij het inpassen van bomen is een aantal eisen van toepassing. De (verkeerskundig) ontwerper kan in zijn ontwerp op een groot aantal manieren daarop inspelen. In deze paragraaf wordt een kort overzicht gegeven van de mogelijkheden [17.18].
  1. De groeiplaats biedt ondergronds voldoende ruimte.
  2. De groeiplaats is van een blijvend goede kwaliteit.
  3. De vorm van de groeiplaats maakt verankering mogelijk.
  4. Het wortelstelsel blijft gevrijwaard van ernstige beschadigingen.
  5. De groeiplaats blijft gevrijwaard van verontreinigingen.
  6. Stam en takken blijven gevrijwaard van ernstige beschadigingen.
  7. De groeiplaats biedt bovengronds voldoende ruimte.
  8. De groeiplaats biedt blijvend voldoende licht.
Ad 1. De groeiplaats biedt ondergronds voldoende ruimte
Een boom heeft ondergronds voldoende doorwortelbare ruimte van goede kwaliteit nodig om het gewenste eindbeeld te bereiken en om een goede conditie te behouden. De benodigde hoeveelheid kubieke meter is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de grootte en de geplande levensduur van de boom, de grondwaterstand en de kwaliteit van de grond.
Hieronder zijn hiervoor vuistregels opgenomen; in tabel 17.6/2 staan de benodigde hoeveelheden voor eerste en tweede grootte bomen.
  1. 1 m3 per boom per jaar: een vuistregel op basis van de geplande levensduur van de boom.
  2. 0,5 tot 1,25 m3 doorwortelbare ruimte per m2 kroonprojectie: een berekening op basis van de kroonomvang van het uiteindelijke streefbeeld.
Tabel 17.6/2. Benodigde doorwortelbare ruimte
Grondwater profiel, 3% org. stofHangwater profiel, 3% org. stof
1
e
grootte boom
Gewenste leeftijd boom (jaar)Benodigde volume ondergronds (m
3
)
Oppervlak kroonprojectie (m
2
)
20193125
40386350
60569475
8075125100
10094156125
2
e
grootte boom
20813
401119
601627
In de optimale situatie staan bomen in de open grond. Dat is grond zonder verharding met heesterachtigen of gras- en kruidachtigen. Als dit niet mogelijk is, kan de benodigde ondergrondse ruimte met de volgende oplossingen worden gecreëerd.
Toepassing van bomenzand onder lichtbelaste verharding of bomengranulaat onder licht, matig en sterk belaste verhardingen. Beide materialen zijn fundering en groeimedium tegelijkertijd en vormen een draagkrachtige en goed doorwortelbare laag onder de verharding.
Wanneer de beschikbare ondergrondse ruimte beperkt is, is een compromis noodzakelijk. De onderstaande technieken zorgen voor een goede kwaliteit van de groeiplaats en voorkomen tegelijkertijd mogelijke overlast door wortelgroei in of onder infrastructurele voorzieningen. Ze beperken wel de beschikbare groeiruimte. Dit betekent dat de boomgrootte en/of de gewenste leeftijd van de boom moeten worden aangepast op de beschikbare ruimte.
Toepassing van sandwichconstructies en groeiplaatsconstructies zoals boomkratten en boombunkers. Dit zijn dragende en drukspreidende constructies en zijn een geconditioneerde groeiplaats. Ze worden aangebracht onder de verharding.
Toepassing van wortelgeleidende en wortelwerende platen, schermen of folie om wortelgroei buiten de afgescheiden zone te voorkomen.
Vorm en volume van het wortelstelsel
Het volume van het volledige wortelstelsel is ongeveer even groot als dat van de kroon, maar het is er geen spiegelbeeld van. De groei in de diepte gaat vrijwel nooit dieper dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand en maximaal een meter diep. Afhankelijk van de groeiomstandigheden kan het wortelstelsel in horizontale richting zeer verschillende en grillige vormen aannemen. Eenzijdige wortelgroei is mogelijk en hoeft geen probleem te zijn.
Een aantal boomsoorten wortelt van nature oppervlakkiger dan andere. In stedelijke situaties of andere situaties waarin de ondergrondse groeiruimte of -kwaliteit beperkt is, maakt de boomsoort vrijwel geen verschil. De wortels groeien afhankelijk van de beschikbare mogelijkheden – ze volgen ‘de gemakkelijkste weg’ – en zoeken de meest gunstige groeiomstandigheden. Dit betekent dat de wortelgroei te sturen is door een goede ondergrondse groeiplaats in te richten en door wortelgeleiding te gebruiken.
Ad 2. De groeiplaats is van een blijvend goede kwaliteit
De doorwortelbare grond (teelgrond, bomenzand of bomengranulaat) moet kwalitatief aan vier eisen voldoen, deze staan in tabel 17.6/3. Het is mogelijk om systemen voor drainage, beluchting en/of infiltratie toe te passen.
Tabel 17.6/3. Groeiplaatseisen
GroeiplaatseisIn cijfers
Vocht15%
Zuurstof17-20%
Voeding3-8% organische stof
DoorwortelbaarheidIndringingsweerstand maximaal 1,5 tot 2,0 MPa
Aandachtspunten
  • Vocht: vocht wordt ook gebufferd in organische stof en klei. Zeker bij een hangwaterprofiel moet hemelwater goed kunnen infiltreren.
  • Zuurstof: te veel organische stof of te veel vocht in de bodem gaat ten koste van de zuurstofhuishouding. Ook verdichte en verharde bodems werken negatief op de zuurstofhuishouding.
  • Voeding: blad (organische stof) op het maaiveld voorkomt uitdroging van de bodem en verbetert de bodemstructuur.
  • Doorwortelbaarheid: de bodem is doorwortelbaar als de indringingsweerstand niet hoger is dan 3 MPa, bij voorkeur minder dan 1,5-2,0 MPa. In verdichte bodems ontstaat vaak een gebrek aan zuurstof en vocht [17.18].

Ad 3. De vorm van de groeiplaats maakt verankering mogelijk
Een boom moet een minimaal grondvolume kunnen doorwortelen voor een goede verankering. Verankering is nodig voor de stabiliteit van de boom en om scheefgroei of omvallen te voorkomen.
De groeiplaats van de boom is bij voorkeur niet smaller dan ongeveer een derde van de uiteindelijke kroondiameter. Hierbij staat de boom bij voorkeur in het midden van de groeiplaats. Dit is echter niet strikt noodzakelijk.
Tabel 17.6/4. Globale breedte van de groeiplaats
Grootte of leeftijdKroondiameter in mBreedte groeiplaats in m
ter hoogte van de boom
1
e
grootte of 60 jaar
10-153,0-4,5
2
e
grootte of 40 jaar
7-102,5-3,5
3
e
grootte of 20 jaar
5-71,5-2,5
vormboom3-51,5-2,0

De breedte zijn globale cijfers en afhankelijk van de locatie [17.18]
[ link ]

Figuur 17.6/2a.. Aanplant hoeft niet altijd in het midden van de groeiplaats

[ link ]

Figuur 17.6/2b. De diepte in kan bij voldoende beluchting


[ link ]

Figuur 17.6/2c. Een hoge grondwaterstand vereist een groter oppervlak van de groeiplaats

[ link ]

Figuur 17.6/2d. De diepte in kan bij voldoende beluchting

[ link ]

Figuur 17.6/2e. Een smalle strook is mogelijk indien deze voldoende lang is

Figuur 17.6/2 illustreert dat de ondergrondse groeiruimte voldoende groot moet zijn, maar verschillende vormen kan hebben. [17.18]
Ad 4. Het wortelstelsel blijft gevrijwaard van ernstige beschadigingen
Ernstige beschadigingen zijn verwijdering van meer dan 20 procent van het wortelstelsel en verwijdering van wortels dikker dan 4 centimeter. De groeiplaats moet daarom zodanig zijn, dat het grootste deel van het wortelstelsel zich zal ontwikkelen op de plaats waar geen ondergrondse werkzaamheden te verwachten zijn.
Ad 5. De groeiplaats blijft gevrijwaard van verontreinigingen
Bomen kunnen gevoelig zijn voor verontreinigingen, zoals strooizout, gas, olie of benzine. Voor locaties waar zal worden gestrooid, kunnen de volgende ontwerpoplossingen worden toegepast:
  • bomen verder dan een meter uit de wegkant aanplanten;
  • boomsoorten toepassen met een hoge(re) zouttolerantie;
  • hogere opsluitbanden of groeiplaatsen (licht) verhoogd aanleggen;
  • een goed drainerende grond toepassen;
  • een kleine open boomspiegel aanleggen.
Ad 6. Stam en takken blijven gevrijwaard van ernstige beschadigingen
Bomen op of nabij parkeerplaatsen, -vakken of -stroken, raken vaak beschadigd door aanrijdingen. Daarnaast raken bomen langs wegen beschadigd aan de stam door aanrijdingen. Afhankelijk van de lokale situatie zijn een of meer van de volgende ontwerpoplossingen mogelijk:
  • Breng fysieke barrières aan, zoals anti-aanrijvoorzieningen tussen bomen en parkeerplekken.
  • Neem in het profiel voldoende afstand tussen boom en geparkeerde auto.
  • Plaats bomen buiten de parkeerrij.
  • Integreer in de ontwerpfase de fysieke barrière, zoals een hoge boomkrans, in het straatprofiel.
Ad 7. De groeiplaats biedt bovengronds voldoende ruimte
De vrije bovengrondse ruimte moet toereikend zijn om de stam en de takken te laten ontwikkelen. Deze ruimte mag niet worden beperkt door gevels, bovenleidingen, verlichtingsmasten, wegwijzers en dergelijke. De plantafstand ten opzichte van obstakels moet minimaal 0,6 maal de verwachte kroonbreedte van het eindbeeld zijn.
Op maaiveld moet de stam de ruimte hebben om uit te groeien. De stam en stamvoet van een 60-jarige iep vragen bijvoorbeeld al snel een boomspiegel van 1,75 m x 1,75 m. Tabel 17.6/5 beschrijft de globale plantafstand ten opzichte van obstakels.
Tabel 17.6/5. Globale plantafstand ten opzichte van obstakels
Grootte of leeftijdKroondiameter in mPlantafstand t.o.v. obstakel in mMinimale afmeting open boomspiegel in m
1
e
grootte of 60 jaar
10-156-91,75 X 1,75
2
e
grootte of 40 jaar
7-104-61,25 X 1,25
3
e
grootte of 20 jaar
5-73-40,75 X 0,75
vormboom3-51,5-30,75 X 0,75
De plantafstanden en afmetingen van de boomspiegel zijn globale cijfers en afhankelijk van de locatie [17.18]
Tabel 17.6/6 beschrijft het profiel van vrije ruimte boven verharding.
Tabel 17.6/6. Profiel van vrije ruimte boven verharding
Profiel van vrije ruimteOp kroonhoogte
1)
Erftoegangsweg4,5 m6-8 m
Gebiedsontsluitingsweg4,5 m6-8 m
Fietspad2,5 m3-6 m
1) Staat niet in CROW-richtlijnen, maar is afhankelijk van de boomsoort. De takvrije stam (opkroonhoogte) moet in verband met het mogelijk doorzakken van takken altijd hoger zijn dan het profiel van vrije ruimte [17.18]
Ad 8. De groeiplaats biedt blijvend voldoende licht
Voldoende zonlicht is essentieel voor bomen. De behoefte aan licht is afhankelijk van de boomsoort. Hoge gebouwen en omringende (hogere) bomen kunnen ervoor zorgen dat een boom onvoldoende licht krijgt. In dat geval ontwikkelt de boom zich matig of groeit hij scheef.