Ontwerpeisen
Bij het inpassen van bomen is een aantal eisen van toepassing. De (verkeerskundig) ontwerper kan in zijn ontwerp op een groot aantal manieren daarop inspelen. In deze paragraaf wordt een kort overzicht gegeven van de mogelijkheden [17.18].
Een boom heeft ondergronds voldoende doorwortelbare ruimte van goede kwaliteit nodig om het gewenste eindbeeld te bereiken en om een goede conditie te behouden. De benodigde hoeveelheid kubieke meter is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de grootte en de geplande levensduur van de boom, de grondwaterstand en de kwaliteit van de grond.
Hieronder zijn hiervoor vuistregels opgenomen; in tabel 17.6/2 staan de benodigde hoeveelheden voor eerste en tweede grootte bomen.
- De groeiplaats biedt ondergronds voldoende ruimte.
- De groeiplaats is van een blijvend goede kwaliteit.
- De vorm van de groeiplaats maakt verankering mogelijk.
- Het wortelstelsel blijft gevrijwaard van ernstige beschadigingen.
- De groeiplaats blijft gevrijwaard van verontreinigingen.
- Stam en takken blijven gevrijwaard van ernstige beschadigingen.
- De groeiplaats biedt bovengronds voldoende ruimte.
- De groeiplaats biedt blijvend voldoende licht.
Een boom heeft ondergronds voldoende doorwortelbare ruimte van goede kwaliteit nodig om het gewenste eindbeeld te bereiken en om een goede conditie te behouden. De benodigde hoeveelheid kubieke meter is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de grootte en de geplande levensduur van de boom, de grondwaterstand en de kwaliteit van de grond.
Hieronder zijn hiervoor vuistregels opgenomen; in tabel 17.6/2 staan de benodigde hoeveelheden voor eerste en tweede grootte bomen.
- 1 m3 per boom per jaar: een vuistregel op basis van de geplande levensduur van de boom.
- 0,5 tot 1,25 m3 doorwortelbare ruimte per m2 kroonprojectie: een berekening op basis van de kroonomvang van het uiteindelijke streefbeeld.
Tabel 17.6/2. Benodigde doorwortelbare ruimte
| Grondwater profiel, 3% org. stof | Hangwater profiel, 3% org. stof | ||
| 1 e grootte boom | |||
| Gewenste leeftijd boom (jaar) | Benodigde volume ondergronds (m 3 ) | Oppervlak kroonprojectie (m 2 ) | |
| 20 | 19 | 31 | 25 |
| 40 | 38 | 63 | 50 |
| 60 | 56 | 94 | 75 |
| 80 | 75 | 125 | 100 |
| 100 | 94 | 156 | 125 |
| 2 e grootte boom | |||
| 20 | 8 | 13 | |
| 40 | 11 | 19 | |
| 60 | 16 | 27 | |
Toepassing van bomenzand onder lichtbelaste verharding of bomengranulaat onder licht, matig en sterk belaste verhardingen. Beide materialen zijn fundering en groeimedium tegelijkertijd en vormen een draagkrachtige en goed doorwortelbare laag onder de verharding.
Wanneer de beschikbare ondergrondse ruimte beperkt is, is een compromis noodzakelijk. De onderstaande technieken zorgen voor een goede kwaliteit van de groeiplaats en voorkomen tegelijkertijd mogelijke overlast door wortelgroei in of onder infrastructurele voorzieningen. Ze beperken wel de beschikbare groeiruimte. Dit betekent dat de boomgrootte en/of de gewenste leeftijd van de boom moeten worden aangepast op de beschikbare ruimte.
Toepassing van sandwichconstructies en groeiplaatsconstructies zoals boomkratten en boombunkers. Dit zijn dragende en drukspreidende constructies en zijn een geconditioneerde groeiplaats. Ze worden aangebracht onder de verharding.
Toepassing van wortelgeleidende en wortelwerende platen, schermen of folie om wortelgroei buiten de afgescheiden zone te voorkomen.
Vorm en volume van het wortelstelsel
Het volume van het volledige wortelstelsel is ongeveer even groot als dat van de kroon, maar het is er geen spiegelbeeld van. De groei in de diepte gaat vrijwel nooit dieper dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand en maximaal een meter diep. Afhankelijk van de groeiomstandigheden kan het wortelstelsel in horizontale richting zeer verschillende en grillige vormen aannemen. Eenzijdige wortelgroei is mogelijk en hoeft geen probleem te zijn.
Een aantal boomsoorten wortelt van nature oppervlakkiger dan andere. In stedelijke situaties of andere situaties waarin de ondergrondse groeiruimte of -kwaliteit beperkt is, maakt de boomsoort vrijwel geen verschil. De wortels groeien afhankelijk van de beschikbare mogelijkheden – ze volgen ‘de gemakkelijkste weg’ – en zoeken de meest gunstige groeiomstandigheden. Dit betekent dat de wortelgroei te sturen is door een goede ondergrondse groeiplaats in te richten en door wortelgeleiding te gebruiken.
Het volume van het volledige wortelstelsel is ongeveer even groot als dat van de kroon, maar het is er geen spiegelbeeld van. De groei in de diepte gaat vrijwel nooit dieper dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand en maximaal een meter diep. Afhankelijk van de groeiomstandigheden kan het wortelstelsel in horizontale richting zeer verschillende en grillige vormen aannemen. Eenzijdige wortelgroei is mogelijk en hoeft geen probleem te zijn.
Een aantal boomsoorten wortelt van nature oppervlakkiger dan andere. In stedelijke situaties of andere situaties waarin de ondergrondse groeiruimte of -kwaliteit beperkt is, maakt de boomsoort vrijwel geen verschil. De wortels groeien afhankelijk van de beschikbare mogelijkheden – ze volgen ‘de gemakkelijkste weg’ – en zoeken de meest gunstige groeiomstandigheden. Dit betekent dat de wortelgroei te sturen is door een goede ondergrondse groeiplaats in te richten en door wortelgeleiding te gebruiken.
Ad 2. De groeiplaats is van een blijvend goede kwaliteit
De doorwortelbare grond (teelgrond, bomenzand of bomengranulaat) moet kwalitatief aan vier eisen voldoen, deze staan in tabel 17.6/3. Het is mogelijk om systemen voor drainage, beluchting en/of infiltratie toe te passen.
De doorwortelbare grond (teelgrond, bomenzand of bomengranulaat) moet kwalitatief aan vier eisen voldoen, deze staan in tabel 17.6/3. Het is mogelijk om systemen voor drainage, beluchting en/of infiltratie toe te passen.
Tabel 17.6/3. Groeiplaatseisen
| Groeiplaatseis | In cijfers |
| Vocht | 15% |
| Zuurstof | 17-20% |
| Voeding | 3-8% organische stof |
| Doorwortelbaarheid | Indringingsweerstand maximaal 1,5 tot 2,0 MPa |
Aandachtspunten
| |
Ad 3. De vorm van de groeiplaats maakt verankering mogelijk
Een boom moet een minimaal grondvolume kunnen doorwortelen voor een goede verankering. Verankering is nodig voor de stabiliteit van de boom en om scheefgroei of omvallen te voorkomen.
De groeiplaats van de boom is bij voorkeur niet smaller dan ongeveer een derde van de uiteindelijke kroondiameter. Hierbij staat de boom bij voorkeur in het midden van de groeiplaats. Dit is echter niet strikt noodzakelijk.
Tabel 17.6/4. Globale breedte van de groeiplaats
| Grootte of leeftijd | Kroondiameter in m | Breedte groeiplaats in m ter hoogte van de boom |
| 1 e grootte of 60 jaar | 10-15 | 3,0-4,5 |
| 2 e grootte of 40 jaar | 7-10 | 2,5-3,5 |
| 3 e grootte of 20 jaar | 5-7 | 1,5-2,5 |
| vormboom | 3-5 | 1,5-2,0 |
De breedte zijn globale cijfers en afhankelijk van de locatie [17.18] | ||
[ link ] Figuur 17.6/2a.. Aanplant hoeft niet altijd in het midden van de groeiplaats | [ link ] Figuur 17.6/2b. De diepte in kan bij voldoende beluchting | [ link ] Figuur 17.6/2c. Een hoge grondwaterstand vereist een groter oppervlak van de groeiplaats |
[ link ] Figuur 17.6/2d. De diepte in kan bij voldoende beluchting | [ link ] Figuur 17.6/2e. Een smalle strook is mogelijk indien deze voldoende lang is |
Figuur 17.6/2 illustreert dat de ondergrondse groeiruimte voldoende groot moet zijn, maar verschillende vormen kan hebben. [17.18]
Ad 4. Het wortelstelsel blijft gevrijwaard van ernstige beschadigingen
Ernstige beschadigingen zijn verwijdering van meer dan 20 procent van het wortelstelsel en verwijdering van wortels dikker dan 4 centimeter. De groeiplaats moet daarom zodanig zijn, dat het grootste deel van het wortelstelsel zich zal ontwikkelen op de plaats waar geen ondergrondse werkzaamheden te verwachten zijn.
Ernstige beschadigingen zijn verwijdering van meer dan 20 procent van het wortelstelsel en verwijdering van wortels dikker dan 4 centimeter. De groeiplaats moet daarom zodanig zijn, dat het grootste deel van het wortelstelsel zich zal ontwikkelen op de plaats waar geen ondergrondse werkzaamheden te verwachten zijn.
Ad 5. De groeiplaats blijft gevrijwaard van verontreinigingen
Bomen kunnen gevoelig zijn voor verontreinigingen, zoals strooizout, gas, olie of benzine. Voor locaties waar zal worden gestrooid, kunnen de volgende ontwerpoplossingen worden toegepast:
Bomen kunnen gevoelig zijn voor verontreinigingen, zoals strooizout, gas, olie of benzine. Voor locaties waar zal worden gestrooid, kunnen de volgende ontwerpoplossingen worden toegepast:
- bomen verder dan een meter uit de wegkant aanplanten;
- boomsoorten toepassen met een hoge(re) zouttolerantie;
- hogere opsluitbanden of groeiplaatsen (licht) verhoogd aanleggen;
- een goed drainerende grond toepassen;
- een kleine open boomspiegel aanleggen.
Ad 6. Stam en takken blijven gevrijwaard van ernstige beschadigingen
Bomen op of nabij parkeerplaatsen, -vakken of -stroken, raken vaak beschadigd door aanrijdingen. Daarnaast raken bomen langs wegen beschadigd aan de stam door aanrijdingen. Afhankelijk van de lokale situatie zijn een of meer van de volgende ontwerpoplossingen mogelijk:
Bomen op of nabij parkeerplaatsen, -vakken of -stroken, raken vaak beschadigd door aanrijdingen. Daarnaast raken bomen langs wegen beschadigd aan de stam door aanrijdingen. Afhankelijk van de lokale situatie zijn een of meer van de volgende ontwerpoplossingen mogelijk:
- Breng fysieke barrières aan, zoals anti-aanrijvoorzieningen tussen bomen en parkeerplekken.
- Neem in het profiel voldoende afstand tussen boom en geparkeerde auto.
- Plaats bomen buiten de parkeerrij.
- Integreer in de ontwerpfase de fysieke barrière, zoals een hoge boomkrans, in het straatprofiel.
Ad 7. De groeiplaats biedt bovengronds voldoende ruimte
De vrije bovengrondse ruimte moet toereikend zijn om de stam en de takken te laten ontwikkelen. Deze ruimte mag niet worden beperkt door gevels, bovenleidingen, verlichtingsmasten, wegwijzers en dergelijke. De plantafstand ten opzichte van obstakels moet minimaal 0,6 maal de verwachte kroonbreedte van het eindbeeld zijn.
Op maaiveld moet de stam de ruimte hebben om uit te groeien. De stam en stamvoet van een 60-jarige iep vragen bijvoorbeeld al snel een boomspiegel van 1,75 m x 1,75 m. Tabel 17.6/5 beschrijft de globale plantafstand ten opzichte van obstakels.
De vrije bovengrondse ruimte moet toereikend zijn om de stam en de takken te laten ontwikkelen. Deze ruimte mag niet worden beperkt door gevels, bovenleidingen, verlichtingsmasten, wegwijzers en dergelijke. De plantafstand ten opzichte van obstakels moet minimaal 0,6 maal de verwachte kroonbreedte van het eindbeeld zijn.
Op maaiveld moet de stam de ruimte hebben om uit te groeien. De stam en stamvoet van een 60-jarige iep vragen bijvoorbeeld al snel een boomspiegel van 1,75 m x 1,75 m. Tabel 17.6/5 beschrijft de globale plantafstand ten opzichte van obstakels.
Tabel 17.6/5. Globale plantafstand ten opzichte van obstakels
| Grootte of leeftijd | Kroondiameter in m | Plantafstand t.o.v. obstakel in m | Minimale afmeting open boomspiegel in m |
| 1 e grootte of 60 jaar | 10-15 | 6-9 | 1,75 X 1,75 |
| 2 e grootte of 40 jaar | 7-10 | 4-6 | 1,25 X 1,25 |
| 3 e grootte of 20 jaar | 5-7 | 3-4 | 0,75 X 0,75 |
| vormboom | 3-5 | 1,5-3 | 0,75 X 0,75 |
| De plantafstanden en afmetingen van de boomspiegel zijn globale cijfers en afhankelijk van de locatie [17.18] | |||
Tabel 17.6/6 beschrijft het profiel van vrije ruimte boven verharding.
Tabel 17.6/6. Profiel van vrije ruimte boven verharding
| Profiel van vrije ruimte | Op kroonhoogte 1) | |
| Erftoegangsweg | 4,5 m | 6-8 m |
| Gebiedsontsluitingsweg | 4,5 m | 6-8 m |
| Fietspad | 2,5 m | 3-6 m |
| 1) Staat niet in CROW-richtlijnen, maar is afhankelijk van de boomsoort. De takvrije stam (opkroonhoogte) moet in verband met het mogelijk doorzakken van takken altijd hoger zijn dan het profiel van vrije ruimte [17.18] | ||
Ad 8. De groeiplaats biedt blijvend voldoende licht
Voldoende zonlicht is essentieel voor bomen. De behoefte aan licht is afhankelijk van de boomsoort. Hoge gebouwen en omringende (hogere) bomen kunnen ervoor zorgen dat een boom onvoldoende licht krijgt. In dat geval ontwikkelt de boom zich matig of groeit hij scheef.
Voldoende zonlicht is essentieel voor bomen. De behoefte aan licht is afhankelijk van de boomsoort. Hoge gebouwen en omringende (hogere) bomen kunnen ervoor zorgen dat een boom onvoldoende licht krijgt. In dat geval ontwikkelt de boom zich matig of groeit hij scheef.