Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek Verkeersveiligheid
Deze tekst is gepubliceerd op 21-06-13

Extra gegevens verzamelen

Sommige gegevens zijn alleen op landelijk of provinciaal niveau voorhanden. Informatie over de situatie in een specifieke stad of regio zal speciaal voor het doel van het onderzoek verzameld moeten worden. Drie vormen van gegevensverzameling zijn daarvoor het meest geëigend:
  • observatie;
  • interview;
  • vragenlijst;
  • meldpunt veilig verkeer ( [ link ] ).
Observatie is het meest geschikt voor het meten van werkelijk gedrag. Denk daarbij aan snelheidsgedrag, alcoholgebruik, gordel- en helmgebruik, maar ook aan het tellen van voertuigen die een bepaald punt passeren (intensiteiten). In CROW-publicatie 248 ‘Handboek verkeersonderzoek’ [4.9] staat uitgebreid beschreven hoe dergelijke metingen en tellingen moeten worden uitgevoerd.
Een bijzondere vorm van gedragsobservatie wordt verderop beschreven: conflictobservatie. Deze techniek kan worden gebruikt om meer te weten te komen over gevaarlijke situaties zonder dat er gewacht hoeft te worden op het ontstaan van ongevallen.
Interviews en vragenlijsten zijn nuttig voor het achterhalen van meningen van verkeersdeelnemers over bijvoorbeeld de veiligheid van verkeerssituaties of het ontstaan van verkeersongevallen en voor het achterhalen van motieven voor het al dan niet naleven van verkeersregels zoals snelheidslimieten en de verplichting van het dragen van een autogordel of bromfietshelm. Vragenlijsten kunnen en worden ook gebruikt voor het verzamelen van gedragsgegevens. Het gaat daarbij vaak over beweerd gedrag. In dat geval is het van belang alert te zijn op vertekeningen van de werkelijkheid doordat mensen niet altijd eerlijk willen of kunnen antwoorden op vragen over hun eigen gedrag. Zo is gebleken dat respondenten (mensen die een vragenlijst beantwoorden) niet goed kunnen inschatten welke afstand ze hebben afgelegd. Afstanden die met de auto worden afgelegd worden gemiddeld met 8% overschat en die met de fiets zelfs met 20%.
Kwaliteit van de gegevens: betrouwbaarheid en validiteit
Alertheid op de juistheid van de gevonden resultaten is niet alleen van belang bij vragenlijstonderzoek, maar bij alle vormen van onderzoek en gegevensverzameling. Gelukkig kan bij de opzet van het onderzoek al voorzorgsmaatregelen worden genomen. Bij het verzamelen van gegevens is het bijvoorbeeld van belang dat er afspraken worden gemaakt over wat er wordt gemeten en hoe de juiste waarde wordt vastgesteld. Bij een herhaalde meting van hetzelfde object (bijvoorbeeld de lengte van een wegvak) moet immers bij voorkeur dezelfde waarde worden gevonden, ook als de meting door een andere persoon wordt uitgevoerd. Het betreft hier dan een betrouwbare meting. De betrouwbaarheid van metingen kan worden vergroot door geijkte meetapparatuur te gebruiken of – in het geval van omschrijvingen – door vooraf goed te definiëren wat de bestaande klassen zijn. Wordt bijvoorbeeld een bestelauto als ‘personenauto’ of als ‘bedrijfsauto’ gedefinieerd? Als twee mensen hetzelfde hebben gemeten, kan na afloop ook worden nagegaan of de gebruikte definities hebben geholpen. Dit kan worden gedaan door de meetresultaten van de beoordelaars (of observatoren) metelkaarte vergelijken. Daarmee wordt de zogenoemde interbeoordelaarbetrouwbaarheid gemeten. Uiteraard wordt gestreefd naar een zo groot mogelijkeinterbeoordelaarbetrouwbaarheid, dus naar identieke meetresultaten. In het geval dat een enkele beoordelaar over langere tijd metingen moet verrichten, kan ook nog worden gekeken naar de intrabeoordelaarbetrouwbaarheid: is de beoordelaar stabiel in zijn beoordelingen. De intrabeoordelaarbetrouwbaarheid kan worden gemeten door de beoordelaar met enige tussenpozen hetzelfde object te laten ‘meten’. Het resultaat van deze metingen zou steeds hetzelfde moeten zijn. Er is dan sprake van een hoge mate van intrabeoordelaarbetrouwbaarheid.
Daarnaast is het van groot belang dat datgene gemeten wordt waarvan het de bedoeling is dat het gemeten wordt. Dit wordt ook wel de validiteit van de meting genoemd. Met een meetlint wordt bijvoorbeeld de werkelijke lengte van een wegvak gemeten, bijvoorbeeld in meters. Zijn de afstanden tussen de streepjes op het gebruikte meetlint echter consequent 1,2 meter in plaats van 1 meter, en de onderzoeker heeft dat niet in de gaten, dan kan de lengte van het wegvak weliswaar heel betrouwbaar worden gemeten (want herhaald meten zal keer op keer vrijwel hetzelfde resultaat opleveren), maar er wordt wel steeds een systematische fout gemaakt: de lengte van het gemeten wegvak wordt met dit meetinstrument consequent onderschat. Waar het wegvak in werkelijkheid 500 meter is, wordt met dit invalide meetinstrument immers onterecht 416,7 meter opgemeten. Problemen met validiteit spelen met name een rol bij niet direct observeerbare variabelen als intelligentie, risico, extraversie, enzovoort. Bij vragenlijsten en interviews kan de validiteit in het geding komen als suggestieve vragen worden gesteld of sociaal-wenselijkeantwoordcategorieën worden gebruikt. Gemeten wordt dan niet de mening van mensen, maar dat wat zij denken dat de onderzoeker wil horen [4.1, 4.3, 4.9].
Conflictobservatietechniek DOCTOR
Een bijzondere vorm van observatie is conflictobservatie. Een in Nederland ontwikkelde conflictobservatietechniek is DOCTOR (Dutch Objective Conflict Technique for Operation and Research). Dit is een gestandaardiseerde observatietechniek met objectieve en gedefinieerde observatie-eenheden die wordt uitgevoerd door getrainde observatoren [4.15]. Gedurende een bepaalde tijd observeren getrainde observatoren een locatie (bijvoorbeeld een kruispunt) of een gebied en registreren en beoordelen de conflicten die op deze locatie plaatsvinden. Bij deze conflictobservatietechniek wordt een conflict gedefinieerd als een kritische verkeerssituatie waarbij twee (of meer) weggebruikers elkaar zodanig naderen dat er een botsing dreigt en er een reële kans is op lichamelijk letsel of materiële schade als hun koers en snelheid onveranderd blijven. Er is sprake van een kritische verkeerssituatie als de beschikbare ruimte om te manoeuvreren (elkaar te ontwijken) kleiner is dan de benodigde ruimte bij normaal reageren. De ernst van een conflict wordt vastgesteld aan de hand van zowel de kans op botsen als de omvang van de (lichamelijke en/of materiële) gevolgen als een botsing zou hebben plaatsgevonden.
De kans op botsen wordt bepaald door middel van de ‘time to collision’ (TTC) en/of de ‘post encroachment time’ (PET). De TTC is gedefinieerd als de tijd die nog resteert tot twee naderende weggebruikers op botskoers zullen botsen als hun koers en snelheid ongewijzigd blijven. Hoe lager deze TTC, hoe groter de kans op botsen.
De TTC kan de kans op botsen alleen goed voorspellen als twee weggebruikers op botskoers liggen. Als weggebruikers elkaar met hoge snelheid op een haar na missen zonder noemenswaardige koers- of snelheidsveranderingen, is er strikt genomen geen botskoers. Toch is in dergelijke situaties de kans op botsen reëel aanwezig. Een kleine wijziging in snelheid of koers zal gemakkelijk tot een botsing kunnen leiden. In dat geval kan de kans op botsen worden bepaald aan de hand van de PET. De PET is gedefinieerd als de tijd tussen het moment dat de eerste weggebruiker de baan van de tweede verlaat (t1) en het moment waarop deze laatste de baan van de eerste bereikt (t2). Hoe lager de PET (= t2-t1), hoe groter de kans op botsen.
De omvang van de gevolgen van een eventuele botsing hangt af van de potentiële botsenergie en de kwetsbaarheid van de betrokken weggebruikers. Factoren die deze aspecten beïnvloeden zijn de onderlinge snelheidsverschillen, de beschikbare en de benodigde manoeuvreerruimte, de naderingshoek en de typen weggebruikers (en hun bescherming). Vooral de massa en de manoeuvreerbaarheid van de voertuigen zullen bepalend zijn voor de omvang van de gevolgen. Voor een schatting van de ernst van de gevolgen wordt daarom aangegeven welke typen weggebruikers betrokken waren, wordt er een schatting gegeven van de snelheden, en wordt de aard van de vermijdingsactie genoteerd (onder andere remmen, versnellen, uitwijken). Bij het aangeven van de typen betrokken weggebruikers is het verder nog van belang te vermelden wie op wie afrijdt. Een fietser die op een medeweggebruiker afrijdt heeft, gegeven een bepaalde snelheid en afstand, immers meer mogelijkheden voor een ontwijkende manoeuvre dan een vrachtwagen.
In de praktijk kan DOCTOR worden uitgevoerd ten behoeve van een voorstudie voor een maatregel en een nastudie voor de evaluatie ervan of voor het toetsen van vermoedens van onveiligheid (bijvoorbeeld klachten van omwonenden) waarbij ook een analyse van de aard van de onveiligheid kan worden uitgevoerd. In beide gevallen heeft de conflictobservatie als voordeel dat er in korte tijd veel observaties kunnen plaatsvinden, waardoor men snel over voldoende materiaal beschikt om betrouwbare uitspraken te doen; sneller dan wanneer men op ongevallen zou moeten wachten. In die zin is de conflictobservatie vergelijkbaar met de registratie van incidenten. Het is van belang ook het aantal ontmoetingen te tellen dat niet kritisch is. Hiermee wordt de relatieve onveiligheid van een situatie aangegeven. De veiligheid van kruispunten moet niet slechts aan de intensiteiten worden gerelateerd, maar juist aan de kans op een ontmoeting. Die kans wordt bepaald door de verdeling van het verkeer over de takken. De DOCTOR-methode is na de ontwikkeling van de techniek relatief weinig toegepast. Dit komt onder meer doordat de techniek behoorlijk arbeidsintensief is. Uitvoering van de methode wordt nog wel aangeboden door verschillende adviesbureaus. Meer informatie over de voor- en nadelen van DOCTOR is te vinden in [4.10].
Interview of vragenlijst
Er zijn verschillende redenen om te kiezen voor interviews of vragenlijsten in plaats van voor observatie. In de eerste plaats is het soms gewoon niet mogelijk om het te onderzoeken aspect te observeren. Dat kan zijn omdat het gaat om iets dat zich in de persoon zelf plaatsvindt (motieven, meningen, waarden en normen), omdat het gaat om gedrag dat zeer onregelmatig of in de privésfeer plaatsvindt of omdat het gedrag in het verleden heeft plaatsgevonden. In de tweede plaats is het gebruik van vragenlijsten of interviews vaak aantrekkelijker omdat de gegevensverzameling makkelijker te standaardiseren is en ook efficiënter is in termen van geld, tijd en menskracht. Wanneer is besloten tot survey-onderzoek – de verzamelnaam voor onderzoek aan de hand van vragenlijsten en interviews – rest nog de keuze tussen het houden van interviews en het gebruiken van vragenlijsten. Een voordeel van interviews is dat ze meer mogelijkheden geven om onduidelijke vragen toe te lichten of op onduidelijke antwoorden door te vragen. Daarnaast bieden interviews meer mogelijkheden om de respondent te motiveren om zo geconcentreerd en doordacht mogelijk alle vragen te beantwoorden. Interviews leveren bovendien een hogere response dan vragenlijsten, het percentage personen dat wil meewerken is groter. Daar staat tegenover dat het gebruik van vragenlijsten goedkoper is (je kunt er meer versturen voor hetzelfde geld), ze zijn anoniemer, waardoor sommigen misschien ‘eerlijker’ op bedreigende vragen zullen antwoorden en de antwoorden zullen minder worden beïnvloed door de interviewer. Aangezien de respondenten bij het invullen van de vragenlijst geen gelegenheid hebben om uitleg te vragen over wat bedoeld wordt, is het bij het gebruik van vragenlijsten wel extra belangrijk dat de vragen voor iedere lezer te begrijpen zijn [4.1, 4.2,4.3, 4.4].
Representativiteit van de steekproef
Bij survey-onderzoek wordt vaak een deel van de bevolking ondervraagd met de intentie hierna uitspraken te doen over de hele bevolking (of een relevante subgroep). Om dat te mogen en te kunnen doen, moet de groep die men ondervraagt (de steekproef) representatief zijn voor de groep waarover men uitspraken wil doen (de populatie).Ter voorbeeld het Mobiliteitsonderzoek Nederland (MON). Dit onderzoek wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van gegevens over het verplaatsingsgedrag van alle inwoners van Nederland. Om te komen tot een inschatting van het verplaatsingsgedrag van alle Nederlandse huishoudens (de populatie) wordt aan een steekproef uit deze populatie gevraagd om via een schriftelijke enquête gedurende een dag bij te houden in welke mate ieder lid van het huishouden zich op welke wijze in het verkeer heeft begeven.
Cruciaal bij een dergelijk onderzoek is om een steekproef van Nederlandse huishoudens te trekken die representatief is voor de populatie. Daartoe moet een aselecte steekproef van Nederlandse huishoudens worden bepaald. Een aselecte steekproef wil zeggen dat elke persoon in Nederland een even grote kans heeft om in de steekproef te worden opgenomen. Dit heet ook wel een willekeurige steekproef. In het MON wordt een aselecte steekproef getrokken uit het totaal van Nederlandse particuliere en gemengde adressen (adressen waarop particulieren wonen en ook bedrijven zijn gevestigd). Men had ook kunnen besluiten de steekproef te trekken uit een bestand met alle telefoonnummers in Nederland. Dit zou echter geen goede aselecte steekproef opleveren: mensen zonder telefoon kunnen dan niet in de steekproef terecht komen. Dit kan een vertekening geven van de mobiliteit van Nederlanders: misschien reizen mensen zonder telefoon wel meer of juist minder dan anderen.
Om te controleren of de MON-steekproef wel representatief is, wordt aan de hand van de verzamelde gegevens gekeken of de kenmerken van de respondenten (zoals leeftijd en geslacht) overeenkomen met die van de totale Nederlandse populatie. Dit is vrijwel nooit het geval omdat sommige groepen meer geneigd zijn aan onderzoek mee te doen dan andere. Dit probleem wordt het probleem van non-response genoemd. Hiervoor wordt een correctie uitgevoerd door de gegevens over het verplaatsingsgedrag zodanig te wegen dat de verdeling van variabelen in de steekproef in overeenstemming wordt gebracht met de verdeling in de bevolkingscijfers. Daarnaast worden de verplaatsingscijfers per persoon per dag via ophoging gegeneraliseerd naar heel Nederland enhethelejaar [4.1, 4.3, 4.12].