Afschermingsconstructies
Wanneer het profiel van vrije ruimte onder de brug niet voldoende breedte heeft om de veiligheid van de kruisende gebruikers in alle omstandigheden te garanderen, moet de brugconstructie worden afgeschermd. In vaarwegen gebeurt dit met remmingwerken, op (snel)wegen met geleideconstructies als geleiderails, barriers en obstakelbeschermers.
Remmingwerken, geleidewerken
Wanneer de breedte van het profiel van vrije ruimte voor de scheepvaart, doorvaartbreedte, te klein is, moet de brugconstructies worden afgeschermd door remming- en geleidewerken. Remming- en geleidewerken hebben tot doel door mechanische en visuele begeleiding schade aan brug en schip te voorkomen of te beperken. De remmingwerken zijn de constructies die de brugconstructie afschermen. De geleidewerken geleiden de scheepvaart van het brede doorvaartprofiel van de waterweg naar de smallere doorvaartbreedte tussen de remmingwerken.
Dimensionering remming- en geleidewerken
De dimensionering van remming- en geleidewerken is dikwijls een discussiepunt. Het is onduidelijk met welke belastingen en belastinggevallen gerekend moet worden. Dit leidt vaak tot aannames die tot zwaardere en daarmee duurdere constructies leiden dan elders toegepast in de directe omgeving of zelfde waterweg. Om deze reden wordt er geadviseerd contact op te nemen met de Dienst Infrastructuur van Rijkswaterstaat bij twijfel over de toe te passen dimensionering voor het remming- en geleidewerk. Bij waterwegen voor recreatievaart waar geen beroepsvaart komt, wordt aanbevolen bij goede ervaringen met al voorkomende remming- en geleidewerken in de directe omgeving een vergelijkbare uitvoering toe te passen bij een nieuwe brug.
In overleg met de beheerder van de waterweg kan bij recreatievaart en de lagere CEMT-klassen op beperkt bevaren waterwegen mogelijk het remming- en geleidewerk worden vervangen door stoppalen.
Bij waterwegen waar beroepsvaart gebruik van maakt, moeten remming-en geleidewerken worden toegepast als de doorvaart breedte kleiner is dan de waarde uit tabel 5.2.
Tabel 5.2. Breedte waarbij remming- en geleidewerken moeten worden toegepast [29]
| Doorvaartwijdte waar beneden waarbij remming- en geleidewerken nodig zijn bij beroepsvaart | |||
| Profiel | Klasse I t/m Va | Klasse Vb | |
| Zonder boegschroef | Met boegschroef | Alle met boegschroef | |
| Enkelstrooks | 1,8 B | 1,6 B | 1,8 B |
| Krap | 1,8 B | 1,6 B | 1,8 B |
| Normaal | 2,0 B | 1,8 B | 2,0 B |
| B = breedte maatgevend schip | |||
De onder een hoek staande geleidewerken worden ook wel de fuik genoemd.
De geleidewerken moeten in principe worden aangebracht onder een hoek van 1 : 6. Als dit in de lokale situatie niet kan, is een hoek van 1 : 4 ook acceptabel.
De lengte van de fuik wordt bepaald door de breedte. De breedte is gelijk aan de waarden uit tabel 5.2. De fuik moet dus dezelfde breedte hebben als de doorvaartwijdte waarbij geen remming- en geleidewerken hoeven te worden toegepast.
De geleidewerken moeten in principe worden aangebracht onder een hoek van 1 : 6. Als dit in de lokale situatie niet kan, is een hoek van 1 : 4 ook acceptabel.
De lengte van de fuik wordt bepaald door de breedte. De breedte is gelijk aan de waarden uit tabel 5.2. De fuik moet dus dezelfde breedte hebben als de doorvaartwijdte waarbij geen remming- en geleidewerken hoeven te worden toegepast.
[ link ]
Figuur 5.10. Vormgeving remming- en geleidewerken
Geleide- en remmingwerken kunnen onder een brug vrijstaand worden geplaatst en worden bevestigd op de brugconstructie. Bij de vrijstaande plaatsing moet in het profiel van vrije ruimte rekening worden gehouden met de uit-buiging bij aanvaring.
Voor recreatievaart wordt geadviseerd dezelfde opzet van de remming- en geleidewerken aan te houden als de situatie dit noodzakelijk maakt en toelaat.
In de Richtlijnen Vaarwegen is beperkt meer informatie te vinden over detaillering van remming- en geleidewerken.
| Figuur 5.11. Remming- en geleidewerk, brug N207 Gouda, waterweg CEMT-klasse VA | Figuur 5.12. Remming- en geleidewerk voor recreatie- vaart, Nieuwe Witterbrug Assen | Figuur 5.13. Stoppalen als remming- en geleidewerk, Kadoelenbrug Amsterdam, weinig gebruikte doodlopende waterweg CEMT-klasse I |