Drie soorten keervoorzieningen
Er zijn drie soorten vormgevingen van keervoorzieningen te onderscheiden. (zie figuur 11-1):
- keerspoor;
- keerdriehoek;
- keerlus.
- Bij een keerspoor wisselt de bestuurder op het keerspoor (B) van bestuurderscabine van de voorzijde naar de achterzijde. Dit is alleen mogelijk met tweerichtingsvoertuigen.
- Een keerdriehoek bestaat uit twee keersporen waardoor deze keermogelijkheid ook door eenrichtingsvoertuigen met hulpstuurstand kan worden gebruikt. De bestuurder stopt op het eerste keerspoor (B), rijdt achteruit naar het tweede keerspoor (C) om daar vooruit de keerdriehoek te verlaten (D).
- Bij een keerlus keert de bestuurder de tram via een grote lus.
Valt een keervoorziening samen met een eindpuntlocatie, dan is het van belang op voorhand inzicht te krijgen in de gewenste aanwezigheid en omvang van:
- het aantal sporen, de opstelruimte per spoor en de functie en vormgeving ervan. Het benodigd aantal sporen is afhankelijk van:
- de frequentie op de kerende lijn(en); - de capaciteit van het type keervoorziening; - de eventuele mogelijkheid om voertuigen elkaar te laten inhalen; - de eventuele behoefte om een defect of extra voertuig tijdelijk te stallen. - de locatie van de in- en uitstaphalte: apart of gecombineerd met de keervoorziening;
- de aanwezigheid en locatie van de verblijfs- en parkeerruimte voor (rijdend) personeel nabij de keervoorziening;
- voldoende (werk)ruimte voor schoonmaak en (klein) onderhoud aan de voertuigen.