Levensduur
De levensduur van een tram is sterk afhankelijk van de constructie van het voertuig, maar bedraagt in de regel circa 30 jaar. De levensduur van een tram is daardoor circa twee tot drie keer langer dan die van een (diesel)bus. De langere levensduur betekent dat de investering in een tram over een langere periode kan worden gespreid, maar betekent ook dat de voertuigkenmerken voor langere tijd sturend zijn voor aanpassingen in en de inrichting van de stedelijke ruimte. Halverwege de levensduur vindt vaak een ’midlife-revisie’ plaats. Naast groot onderhoud aan bepaalde componenten wordt dit moment vaak ook aangegrepen om grotere aanpassingen aan de trams te doen en bij te blijven bij de laatste stand van de techniek en reizigerswensen. Soms krijgen trams tegen het einde van hun levensduur ‘levensduurverlengend onderhoud’, een soort groot onderhoud dat erop gericht is de levensduur zodanig te verlengen dat de trams kunnen blijven rijden totdat een nieuwe generatie trams deze taak kan overnemen.