Perronbreedte en -lengte
De afmetingen van het halteperron (perronbreedte en -lengte) zijn maatgevend voor hoeveel reizigers comfortabel op de halte kunnen wachten en of reizigers die uitstappen op comfortabele wijze langs de wachtende reizigers het halteperron kunnen verlaten. Voor deze capaciteit is de perronbreedte maatgevender dan de perronlengte, omdat reizigers zich concentreren bij de deuren van de tram. Binnen Amsterdam zijn de haltes ingedeeld naar aantal passagiersbewegingen in het drukste kwartier. Vervolgens zijn deze onderscheiden in drukke en rustige haltes. In het programma van eisen voor de haltes is een breedte van 2,8, respectievelijk 2,2 meter geëist voor deze haltes.
Lokale omstandigheden kunnen grenzen stellen aan de te realiseren perronbreedte, of ervoor zorgen dat de perronbreedte varieert (zie figuur 14-19). Bij een beperkte perronbreedte helpt het minimaliseren van obstakels op het perron de doorstroming en wachtruimte voor reizigers die van het halteperron gebruikmaken. Een beperkte perronbreedte kan reden zijn om af te zien van het plaatsen van bepaalde voorzieningen op het halteperron (zie paragraaf 14.2) die voor de doorloop een obstakel kunnen vormen.
[ link ]
Figuur 14-19. Op de halte Vijzelgracht is de perronbreedte aan de kop groter dan aan de staart van het perron. Omdat de meeste reizigers zullen wachten aan de kopzijde van dit lange halteperron, past dit goed bij de reizigersstromen [f3]
Een toegankelijk halteperron heeft minimaal een toegang nodig die aan de eisen van toegankelijkheid voldoet, bijvoorbeeld via een helling (zie paragraaf 14.3.1). Andere toegangen tot het halteperron kunnen voor de inpasbaarheid met een steilere helling of trede(n) gemaakt zijn. Toegangen liggen vaak in het verlengde van het perron met aansluitend een oversteekmogelijkheid over de trambaan, maar kunnen ook aan de achterzijde van het halteperron liggen.
Soms gaat het halteperron aan de achterzijde over in de openbare ruimte, bijvoorbeeld in een plein of trottoir dat aan het halteperron grenst. Het halteperron heeft in dat geval geen duidelijke achterzijde: de aangrenzende ruimte is dan te gebruiken als wachtruimte voor reizigers bij eventuele piekdrukte.
De lengte van de ingezette trams bepaald in belangrijke mate de perronlengte (zie hoofdstuk 4) en of er een of meer halteplekken aan het halteperron zijn (zie hoofdstuk 10).