Geleidelijnen
Geleidelijnen op de halte bieden altijd een veilige route voor de reiziger. De haltes en perrons moeten over de gehele lengte voorzien zijn van geleidelijnen. Geleidelijnen zijn zichtbare en voelbare stroken met ribbels op de grond die iemand met een visuele beperking met behulp van een taststok veilig kan volgen. Een geleidelijn is eenvoudig, eenduidig, en veilig. Hij heeft zo min mogelijk hoeken, knoop- en beslispunten en is in twee richtingen te gebruiken. Duidelijkheid gaat altijd boven esthetiek. Voorkom dat er te veel geleidelijnen zijn. Te veel geleidelijnen bij elkaar kan leiden tot onoverzichtelijkheid in de routes op de halte.
Figuur 5.5 geeft de afmetingen voor geleidelijnen weer, waarbij:
- breedte obstakelvrij vloeroppervlak = 600 mm;
- breedte geleidelijn = 300 mm.
De obstakelvrije ruimte aan weerszijden van de geleidelijn zorgt ervoor dat de reizigers met een visuele beperking genoeg ruimte hebben om veilig van de geleidelijn gebruik te kunnen maken. Zij lopen naast de geleidelijn, met de taststok op de lijn. Een geleidehond loopt schuin voor of naast zijn baas.
[ link ]
Figuur 5.5. Visualisatie van de afmeting en plaatsing van geleidelijnen
[ link ]
Figuur 5.6. Voorbeeld van geleidelijn op de halte. Links: geleidelijn bij een brede poort (metrostation Centraal Station, Amsterdam); rechts geleidelijn met richtingsverandering (halte Den Haag Centraal)
Tabel 5.3. Geleidelijnen
| Eis | Aspect | Richtlijn | |
| 5.3.1 | Afmeting geleidelijn | Minimale breedte is 300 mm, met 4 of 5 ribbels of 7 golven die de looprichting volgen. | |
| Minimale lengte is 1.800 mm. | |||
| 5.3.2 | Afmeting ribbels of golven | De breedte van de ribbels is afhankelijk van de breedte van de geleidelijn en het aantal ribbels. Deze ligt doorgaans tussen 10 en 25 mm. | |
| De hoogte van ribbels is in de buitenruimte 5 mm; bij een harde, vlakke en een gladde ondergrond is een hoogte vanaf 2,5 mm mogelijk. | |||
| De hart-op-hartafstand tussen de golven of ribbellijnen ligt bij geleidelijnen van 300 mm breed tussen 43 en 75 mm. | |||
| 5.3.3 | Plaatsing | Links en rechts van een geleidelijn bevindt zich een obstakelvrije ruimte met een breedte van ten minste 600 mm.**Bij puntvernauwingen dient de obstakelvrije ruimte tussen de perronrand (exclusief veiligheidszone) en geleidelijn minimaal 600 mm te zijn, en de obstakelvrije ruimte aan de andere kant van de geleidelijn minimaal 300 mm. De afstand van de geleidelijn tot aan de perronrand (exclusief veiligheidszone) is minimaal 600 mm. | |
| 5.3.3.1 | Voor een geleidelijn naar een trap geldt:
| ||
| 5.3.3.2 | Voor een geleidelijn naar een lift geldt:
| ||
| 5.3.3.3 | Voor een geleidelijn naar een brede poort geldt:
| ||
| 5.3.4 | Richtingsverandering | Een geleidelijn bevat zo weinig mogelijk richtingsveranderingen. | |
| Bij hoeken kleiner dan 15° mag een knik worden toegepast in de geleidelijn. Een hoek groter dan 15° is een richtingsverandering; pas dan een attentievlak toe. | |||
| Een verspringing in de geleidelijn is maximaal 300 mm groot en elk versprongen lijnstuk is minimaal 1.800 mm lang. Het aantal (obstakel)verspringingen is zo klein mogelijk. Breng ze alleen aan waar het niet anders kan (bijvoorbeeld om gevaarlijke situaties te voorkomen). | |||
| 5.3.5 | Uitvoering | Een geleidelijn is uitgevoerd in materiaal met een kleurcontrast met de omliggende bestrating. De contrastwaarde (K) is afhankelijk van het type geleidelijn, en bedraagt minimaal 30. De kleur van de geleidelijn is bij voorkeur wit. | |
| Onderbreek de ribbels in de geleidelijn regelmatig zodat vuil en water weg kunnen (maximale lengte van ribbels is 600 mm). | |||