Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Richtlijn toegankelijkheid tram- en metrohaltes
Deze tekst is gepubliceerd op 12-10-25

Liften

Bij een trap of een roltrap, moet altijd een alternatief (een lift of hellingbaan) aanwezig zijn. Vanaf een hoogteverschil groter dan 2 meter gaat de voorkeur uit naar een lift boven een hellingbaan.
Reizigers die niet zelfstandig met de trap het hoogteverschil kunnen overbruggen en hulpdiensten met een brancard, moeten gebruik kunnen maken van een lift.
In tabel 4.7 staan de richtlijnen voor liften op de halte.
Tabel 4.7. Liften
EisAspectRichtlijn
4.7.1Uitvoering
  • Een lift is waar mogelijk een doorlooplift, zodat gebruikers in de lift niet hoeven te keren of achteruit de lift hoeven te verlaten.
  • De knop bevindt zich op een hoogte van 0,90-1,20 m zodat ook mensen die zitten, bijvoorbeeld in een rolstoel, deze kunnen bedienen.
4.7.2Maatvoering
De afmetingen van de lift zijn als volgt:
  • De kooi van een lift heeft een vloeroppervlak van ten minste 1,4 m x 2,0 m (conform NEN9120)
  • Een lifttoegang heeft een vrije breedte van ten minste 1,1 m en een tussen de onderdelen van de bouwconstructie gemeten hoogte van 2,30 m.
  • Aan alle toegangen tot een lift grenst een ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 2,01 x 2,10 m zodat er voldoende draai- en passeerruimte is om de lift in en uit te gaan.
  • In sommige gevallen is er meer ruimte nodig om elkaar te kunnen passeren, bijvoorbeeld als er een poortje is bij de toegang tot de lift.
4.7.3Uitvoering
De uitvoering van de lift is vanwege sociale veiligheid bij voorkeur transparant (bijvoorbeeld uitgevoerd in glas).
4.7.4Uitvoering
  • De knoppen om de lift te bedienen (zowel binnen als buiten) zijn voorzien van braille, opliggende reliëfletters en kleurcontrast (minimale contrastwaarde ≥ 0,3).
  • Om uniformiteit te creëren, zit de bedienknop aan de rechterzijde van de lifttoegang op de wand, of op een aparte vrijstaande bedienpaal. Zie hoofdstuk 5.
  • Voor de uniformiteit en herkenbaarheid, zit de knop op een hoogte tussen 0,90-1,20 m.
4.7.5Uitvoering auditieve informatie
In de lift is een omroepsysteem waardoor de reiziger met een visuele beperking zich kan oriënteren. De omroep geeft aan op welk niveau de lift zich bevindt en geeft een waarschuwingsboodschap wanneer de liftdeuren openen/sluiten.
4.7.6Uitvoering tekst
  • De lift is herkenbaar door een lift-identificatiebord.
  • Er is een tekstaanduiding waar op rolstoelhoogte (1,2 – 1,5 m) leesbaar is waar de lift naartoe gaat (lift-index). Dit is informatie zoals perronnummer, haltenummer of uitgang.