2.1 Markeringen in lengterichting
Markeringen in lengterichting, ook lengtemarkeringen genoemd, zijn wegmarkeringen die in het algemeen evenwijdig lopen aan de wegas. Ze kunnen als volgt onderverdeeld worden:
- as- en deelstrepen (gebiedende en geleidende markering);
- kantstrepen (geleidende markering).
In paragraaf 3.1 wordt uitvoerig ingegaan op de verschillende vormen van toepassing.
Aan deze as-, deel- en kantstrepen worden de volgende eisen gesteld:
- De strepen worden zo aangebracht dat zij voor het verkeer duidelijk als zodanig kenbaar zijn. Dit betekent dat de geleidende functie ervan gewaarborgd moet blijven indien vanuit duurzaamheidsoogpunt (minder materiaalgebruik) in plaats van volledig gevulde markering om een agglomeraat-(regelmatige structuur) of stochastische markering (willekeurig) wordt toegepast waardoor slechts 50%-70% van het materiaal wordt gebruikt ten opzicht van volledige vulling.
- De breedte van de markering bedraagt ten minste 0,10 meter. Conform Uitvoeringsvoorschriften BABW, hoofdstuk IV, paragraaf 1 mag in afwijking hiervan de breedte van de kantstreep 0,05 meter bedragen als deze is aangebracht ter markering van de rechterzijde, respectievelijk linkerzijde, van de vluchtstrook als de vluchtstrook aan de rechterzijde,respectievelijklinkerzijde,vandewegisgelegen en deze vluchtstrook kan worden opengesteld als spitsstrook.
- De lengte van de doorgetrokken as- of deelstreep bedraagt ten minste 20 meter.
Volgens artikel 76 RVV 1990 heeft een doorgetrokken streep de volgende betekenissen:
- Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden als die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing:
- Als de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten.
- Als aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht.
- Op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken als er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht.
Figuur 2.1 bevat een algemeen overzicht van de lengtemarkeringen die toegepast kunnen worden.
Zie hoofdstuk 3 voor de toepassing van lengtemarkering bij erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom en bij erftoegangswegen, gebiedsontsluitingswegen en stroomwegen buiten de bebouwde kom.
Zie hoofdstuk 9 voor as- en kantmarkering op fietspaden.
Zie hoofdstuk 3 voor de toepassing van lengtemarkering bij erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom en bij erftoegangswegen, gebiedsontsluitingswegen en stroomwegen buiten de bebouwde kom.
Zie hoofdstuk 9 voor as- en kantmarkering op fietspaden.
[ link ]
Figuur 2.1. Overzicht lengtemarkeringen