Hoofdstuk J. Waarschuwing
Overzicht borden conform het RVV 1990.
| RVV-nummer | Fabrieksnummer/ modelnummer | Afbeelding | Omschrijving | Aanverwante borden |
| J1 | J01 | Slecht wegdek | ||
| J2 | J02 | Bocht naar rechts | ||
| J3 | J03 | Bocht naar links | ||
| J4 | J04 | S-bocht(en), eerst naar rechts | ||
| J5 | J05 | S-bocht(en), eerst naar links | ||
| J6 | J06-10 | Steile helling | ||
| J7 | J07-10 | Gevaarlijke daling | ||
| J8 | J08 | Gevaarlijk kruispunt | ||
| J9 | J09 | Rotonde | ||
| J10 | J10 | Overweg met overwegbomen | ||
| J11 | J11 | Overweg zonder overwegbomen | ||
| J12 | J12 | Overweg met enkelspoor | ||
| J13 | J13 | Overweg met twee of meer sporen | ||
| J14 | J14 | Tram(kruising) | ||
| J15 | J15 | Beweegbare brug | ||
| J16 | J16 | Werk in uitvoering | aanverwante borden Wiu | |
| J17 | J17 | Rijbaanversmalling | ||
| J18 | J18 | Rijbaanversmalling rechts | ||
| J19 | J19 | Rijbaanversmalling links | ||
| J20 | J20 | Slipgevaar | ||
| J21 | J21 | Kinderen | [ link ] J21-OB1004-F [ link ] J21-OB1004- | |
| J22 | J22 | Voetgangers-oversteekplaats | [ link ] J22 | |
| J23 | J23 | Voetgangers | ||
| J24 | J24 | Fietsers en bromfietsers | [ link ] J24 | |
| J25 | J25 | Losliggende stenen | ||
| J26 | J26 | Kade of rivieroever | ||
| J27 | J27 | Groot wild | ||
| J28 | J28 | Vee | ||
| J29 | J29 | Tegenliggers | ||
| J30 | J30 | Laagvliegende vliegtuigen | ||
| J31 | J31 | Zijwind | ||
| J32 | J32 | Verkeerslichten | ||
| J33 | J33 | File | ||
| J34 | J34 | Ongeval | ||
| J35 | J35 | Slecht zicht door sneeuw, regen of mist | ||
| J36 | J36 | IJzel of sneeuw | ||
| J37 | J37 | Gevaar (de aard van het gevaar is aangegeven op het onderbord) | ||
| J38 | J38 | Verkeersdrempel | ||
| J39 | J39 | Waarschuwing voor elektrische in- en uitschuifbare paal in de rijbaan (poller) waarmee toegankelijkheid van straten en gebieden kan worden geregeld. |
Bord J1: slecht wegdek
- Uitvoeringsvoorschriften BABW
- 2. Toepassing bord J1
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II Aanbevolen klasse III bij werk in uitvoering |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
2. Toepassing bord J1
De plaatsing van het bord J1 is alleen aanvaardbaar gedurende een beperkte periode. Het is namelijk vanzelfsprekend dat het wegdek zo spoedig mogelijk dient te worden verbeterd, zodat de plaatsing van bord J1 overbodig wordt.
Indien bord J1 betrekking heeft op een wegvak, wordt het bord voorzien van een onderbord (OB411). Hierop wordt de lengte van het wegvak weergegeven met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt behandeld in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt (gevaarpunt) wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf. Wanneer het slechte wegdek op het actiepunt niet of slecht waarneembaar is, wordt het punt herkenbaar gemaakt met aanvullende maatregelen, zoals een baken (bijvoorbeeld rood-wit uitgevoerde hekjes) in de berm.
Bord J1 kan ook gebruikt worden voor uitholling haaks op de rijrichting. Voor spoorvorming wordt bord J1 niet gebruikt. Bij spoorvorming wordt namelijk bord J37 (gevaar) gebruikt in combinatie met een onderbord waarop de tekst ‘spoorvorming’ staat vermeld.
Vanzelfsprekend dienen zo spoedig mogelijk onderhoudsmaatregelen te worden uitgevoerd, waardoor het bord weer verwijderd kan worden. Het is beter de onderhoudsmaatregelen uit te voeren, voordat de norm voor rijspoordiepte voor de plaatsing van bord J1 wordt bereikt. In CROW-publicatie 147 ‘Wegbeheer 2011’ en CROW-publicatie 146a en b wordt uitvoerig ingegaan op beheer, onderhoud en inspecties van wegen.
Borden J2: bocht naar rechts, J3: bocht naar links, J4: S-bocht(en), eerst naar rechts en J5: S-bocht(en), eerst naar links
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II Aanbevolen klasse III bij werk in uitvoering |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
2. Toepassing bord J2, J3, J4 en J5
Indien het bord J2, J3, J4 of J5 betrekking heeft op een wegvak met meerdere bochten, wordt het bord voorzien van een onderbord (OB411). Op dit onderbord wordt de lengte van het wegvak weergegeven met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen. In geen geval worden onderborden geplaatst met bijvoorbeeld de tekst ‘3 x’.
In CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen 2015’ is in hoofdstuk 1.2 meer informatie opgenomen over bebakening van horizontale en verticale bogen en de plaatsing van de borden J2 tot en met J5 en de bijbehorende bebakening. Daarnaast is in hoofdstuk 1.3 van die publicatie meer informatie opgenomen over de bebakening in krappe horizontale bogen en welke maatregelen getroffen moeten worden.
Bij onoverzichtelijke of misleidende bogen zal naast de aanbevolen maatregelen vanuit de publicatie vaak een extra maatregel nodig zijn in de vorm van het aangeven van een adviessnelheid door middel van bord A4 (in retroreflecterend materiaal minimaal klasse II). Voor het instellen van een adviessnelheid is een verkeersbesluit nodig.
3. Meer informatie
Meer informatie over het plaatsen van de borden J2, J3, J4 of J5 als verticale bebakening (bij onoverzichtelijke of misleidende bogen), zie CROW- publicatie 723 ‘ASVV 2012’, paragraaf 16.3 ‘Verticale bebakening’,CROW-publicatie 723 ‘ASVV 2012’, paragraaf ’16.3.6 ‘Geleidehek’, en CROW-publicatie 723 ‘ASVV 2012’, paragraaf 16.3.9 ‘Aarden wal’.
Borden J6: steile helling en J7: gevaarlijke daling
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
2. Toepassing bord J6 en J7
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt (gevaarpunt) wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
De borden J6 en J7 komen in Nederland niet veelvuldig voor aangezien Nederland niet rijk is aan natuurlijk reliëf. Alleen in gebieden zoals op de Grebbeberg en in Zuid-Limburg kunnen de borden J6 en J7 worden toegepast als waarschuwing voor een helling of daling. Daarnaast kunnen de borden toegepast worden bij kunstmatige hellingen of dalingen zoals op dijkwegen in het rivierengebied.
Het bord J7 kan worden gecombineerd met een (advies)snelheid.
Borden J8: gevaarlijk kruispunt
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
2. Toepassing bord J8
Vervangende maatregelen hebben de sterke voorkeur boven het plaatsen van het bord J8, bijvoorbeeld:
- het verbeteren van het oprijzicht;
- het aanbrengen van een verhoogd kruisingsvlak (plateau);
- het regelen van de voorrang (op gebiedsontsluitingswegen);
- het kruispunt wijzigen in een rotonde.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt (gevaarpunt) wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Het bord J8 wordt niet toegepast bij kruispunten of splitsingen van wegen waar de voorrang wordt geregeld door middel van verkeerstekens op borden of markering (haaientanden) op het wegdek. Ook wordt bord J8 niet geplaatst op kruispunten die in het straatbeeld ter plekke voldoende opvallend zijn en die in het verwachtingspatroon van de weggebruiker passen.
Bord J9: rotonde
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
Toepassing
- Dit bord wordt uitsluitend toegepast als vooraanduiding op geruime afstand van een rotonde.
2. Toepassing bord J9
Aanbevolen wordt om het bord J9 als vooraanduiding alleen te plaatsen in situaties waarbij de rotonde moeilijk herkenbaar is of bij afwezigheid van voorwegwijzers.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf Plaatsing ten opzichte van actiepunt behandeld. Het bord J9 wordt niet geplaatst op de rotonde zelf, maar als vooraanduiding. Op het middeneiland van de rotonde wordt bord D1 toegepast.
Bord J9 wordt uitsluitend geplaatst indien de rotonde niet tijdig waarneembaar is of indien er voorwegwijzers ontbreken.
Borden J10: overweg met overwegbomen en J11: overweg zonder overwegbomen
- Uitvoeringsvoorschriften BABW
- Toepassing bord J10 en J11
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
Toepassing
- Dit bord wordt uitsluitend toegepast als vooraanduiding op geruime afstand van een overweg.
2. Toepassing bord J10 en J11
In hoofdstuk 3.5 van CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen 2015’ komt de bebakening van spoorwegovergangen en beweegbare bruggen ter sprake.
Hierin is opgenomen dat de aanwezigheid van een spoorwegovergang wordt aangegeven met het betreffende waarschuwingsbord (J10 of J11) en met bakens. De bakens (BB23) worden niet geplaatst als uit de aard van de situatie of uit andere geplaatste borden de aanwezigheid van een spoorwegovergang reeds op voldoende afstand duidelijk blijkt.
De bakens worden uitgevoerd in retroreflecterend materiaal klasse II volgens NEN 3381.
De bakens worden uitgevoerd in retroreflecterend materiaal klasse II volgens NEN 3381.
Het verkeer dient voor de spoorwegovergang te worden gewaarschuwd door het plaatsen van een of meer borden J10 of J11. In de situatie met bebakening wordt het bord boven het baken met de drie strepen geplaatst (240 meter voor de spoorovergang). Afhankelijk van de intensiteiten, de wachttijden en de te verwachten filelengte worden voorwaarschuwingsborden geplaatst. Indien nodig worden deze voorzien van onderborden (OB401), waarop de afstand tot het actiepunt is aangegeven in combinatie met knipperlichten.
Als op de spoorwegovergang tevens een snelheidsbeperking van 70 km/h geldt, dan wordt boven het eerste baken eveneens het bord A0170 geplaatst (onder het bord J10 of J11). Met deze snelheidsbeperking wordt het eerste baken niet op 240 meter geplaatst maar op 300 meter. Ter accentuering van de spoorwegovergang kan het laatste baken (op 80 meter voor de overgang) gecombineerd worden met een knipperlicht. Zie hoofdstuk 3.5 van CROW-publictie 207 ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen 2015’ voor een voorbeeldconfiguraties.
Bij spoorwegovergangen die niet voorzien zijn van overwegbomen of beweegbare afsluitingen worden Andreaskruisen (bord J12 of J13) geplaatst. Indien het spoor minder dan eens per week (bijvoorbeeld een rangeerbaan) wordt gebruikt, worden op de spoorwegovergangen geen verkeersborden of bakens toegepast. De nadering van de trein wordt dan aangekondigd en de passage vindt plaats onder begeleiding.
Aanverwante borden bij J10
Aanverwante borden bij J11
Borden J12: overweg met enkel spoor en J13: overweg met twee of meer sporen
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
2. Toepassing bord J12 en J13
De verkeerstekens J12 en J13 worden geplaatst bij overwegen zonder overwegbomen of beweegbare afsluitingen op een afstand van ten hoogste 25 meter uit de as van het nabij gelegen spoor.
De verkeerstekens behoeven niet te worden geplaatst, indien het spoor minder dan eens per week wordt gebruikt. De nadering van de trein wordt dan aangekondigd en de passage vindt plaats onder begeleiding. Zie hoofdstuk 3.5 van CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de Bebakening en Markering van wegen 2015’
Borden J14: tram(kruising)
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften.
2. Toepassing bord J14
Het bord J14 wordt in het geval van een kruising of overgang in de nabijheid van het actiepunt geplaatst. Zie hoofdstuk 3.5 van CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de Bebakening en Markering van wegen 2015’
3. Meer informatie
Het toepassen van verkeerborden is een absolute minimumoplossing en mogen alleen in zeer specifieke situaties worden toegepast. Deze informatie is te vinden in CROW-publicatie 249 ‘Leidraad inpassing tram in stedelijk gebied’, paragraaf 5.1 ‘Toepassing verkeersborden’.
Borden J15: beweegbare brug
- Uitvoeringsvoorschriften BABW
- Toepassing bord J15
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Plaatsing
- Buiten de bebouwde kom wordt dit bord bij aanwezigheid van een voorwaarschuwingssein daaronder geplaatst.
Onderborden
- Indien automatische afsluitbomen aanwezig zijn wordt een onderbord ‘slagbomen dalen automatisch’ geplaatst.
2. Toepassing bord J15
Een beweegbare brug kan van dezelfde bakens worden voorzien als bij een spoorwegovergang (zie bord J10 of J11). In principe gelden bij een beweegbare brug dezelfde toepassingsmogelijkheden.
Op auto(snel)wegen en op belangrijke 80 km/h-wegen wordt het volgende geadviseerd:
- autosnelweg
- het bord J15 plaatsen op 300 meter, 600 meter en eventueel 900 meter aan weerszijden van de rijbaan; - boven het bord twee alternerende knipperlichten aanbrengen; - een onderbord (OB401) onder J15 aanbrengen met daarop een afstandsaanduiding; - het geheel voorzien van een achtergrondschild; - autoweg en belangrijke 80 km/h-wegen:
- het bord J15 plaatsen op 300 meter en eventueel 600 meter aan weerszijden van de rijbaan; - boven het bord een knipperlicht aanbrengen; - een onderbord (OB401) onder J15 aanbrengen met daarop een afstandsaanduiding; - het geheel voorzien van een achtergrondschild.
Borden J16: werk in uitvoering
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse III |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Dit bord wordt uitsluitend tijdelijk toegepast.
2. Toepassing bord J16
Indien het werkvak niet of slecht waarneembaar is of de aard van het werk daartoe aanleiding geeft, kan op een onderbord een uitleg van de werkzaamheden worden gegeven, bijvoorbeeld de tekst ‘maaien’ (OB802t).
Meer informatie over richtlijnen met betrekking tot de maatregelen van werk in uitvoering kunt u vinden in CROW-publicatiereeks 96a/b.
Borden J17: rijbaanversmalling en J18: rijbaanversmalling rechts en J19: rijbaanversmalling links
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II Aanbevolen klasse III bij werk in uitvoering |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Deze borden worden niet gebruikt om het einde van een rijstrook aan te geven.
2. Toepassing bord J17, J18 en J19
De toepassingen van J17, J18 en J19 zijn:
- bord J17 wordt geplaatst bij tweezijdige versmallingen;
- bord J18 wordt geplaatst bij een versmalling aan de rechterzijde van de weg of rijbaan;
- bord J19 wordt geplaatst bij een versmalling aan de linkerzijde van de weg of rijbaan.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Op rijbanen met meerdere rijstroken voor het verkeer in dezelfde richting (bijvoorbeeld autosnelwegen) worden de borden J17, J18 en J19 niet geplaatst wanneer een of meer rijstroken aan het verkeer worden onttrokken. In deze situaties wordt het informatiebord L5 (einde rijstrook) geplaatst. De borden J17, J18 en J19 worden ook niet geplaatst bij werken in uitvoering.
Borden J20: slipgevaar
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II Aanbevolen klasse III bij werk in uitvoering |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften
2. Toepassing bord J20
Het bord J20 heeft altijd betrekking op een wegvak. Het bord wordt dus altijd voorzien van een onderbord met daarop een getal dat de lengte van het wegvak weergeeft met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Slipgevaar doet zich in de regel over een korte periode voor. Geadviseerd wordt om bord J20 alleen ten tijde van die periode te plaatsen. Indien het bord namelijk altijd aanwezig is, neemt het attentieniveau van de weggebruiker af, waardoor de kans bestaat dat het gedrag ook niet wordt aangepast op die momenten dat er daadwerkelijk slipgevaar dreigt.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Indien bij regen slipgevaar dreigt als gevolg van te diepe rijsporen (aquaplaning) wordt bord J20 geplaatst. In dat geval wordt het bord van een onderbord voorzien met onder de afstandsaanduiding de mededeling ‘bij nat wegdek’. Vanzelfsprekend moeten op deze wegvakken zo snel mogelijk onderhoudsmaatregelen worden uitgevoerd, waardoor bord J20 kan worden verwijderd.
Een voorbeeld waarbij bord J20 ook wordt toegepast is bij besmeurd wegdek. Het bord wordt dan alleen geplaatst ten tijde van die situatie, bijvoorbeeld bij bietencampagnes. Op het onderbord wordt dan ‘modder’ of ‘vervuilde weg’ vermeld.
Indien slipgevaar dreigt als gevolg van vorst, wordt niet bord J20 geplaatst maar bord J36. Ook wordt bord J20 niet gebruikt indien het wegdek onvoldoende stroef is, aangezien er dan geen sprake is van slipgevaar maar van een langere remweg. In deze situaties wordt bord J37 geplaatst in combinatie met een onderbord met de tekst ‘langere remweg’. Geadviseerd wordt om over te gaan tot bebording (bord J37) indien de gemiddelde wrijvingscoëfficiënt van een nat wegdek kleiner is dan 0,38.
Borden J21: kinderen en J23: voetgangers en J24: fietsers en bromfietsers
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II Aanbevolen klasse III bij werk in uitvoering |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Deze borden worden in het algemeen niet toegepast indien de plaats waar wordt overgestoken ligt bij een kruising of splitsing van wegen.
- Indien bord J24 waarschuwt voor fietsverkeer in twee richtingen, wordt dit bord voorzien van een onderbord met twee horizontale, naar elkaar gerichte pijlen.
2. Toepassing bord J21, J23 en J24
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf 2.3 ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Bij nadering van een kruispunt is de weggebruiker reeds bedacht op de aanwezigheid van kinderen, voetgangers en (brom)fietsers. Toepassing van de borden J21, J23 en J24 kan dus worden beperkt tot de situaties waarin overstekende kinderen, voetgangers of (brom)fietsers buiten het verwachtingspatroon vallen, bijvoorbeeld bij solitaire oversteekplaatsen.
Bij een voetgangersoversteekplaats (zebra) wordt niet bord J23 toegepast maar bord J22.
Aanverwante borden bij J24
[ link ]
J24
J24f
Aanverwante borden bij J21
Schoolzones
In Nederland is inmiddels een grote variatie te zien in de manier waarop schoolzones worden aangeven. Om de uniformiteit te bewaren wordt onderstaande combinatie aanbevolen:
In Nederland is inmiddels een grote variatie te zien in de manier waarop schoolzones worden aangeven. Om de uniformiteit te bewaren wordt onderstaande combinatie aanbevolen:
Bij een oversteekvoorziening waar veel kinderen oversteken kan, ter ondersteuning van bord J21, markering worden aangebracht. Voor de uitvoering (kleurconfiguratie) zijn er meerdere mogelijkheden:
- Geheel wit
- Witte achtergrond, witte configuratie en rode rand.
Borden J22: voetgangersoversteekplaats
- Uitvoeringsvoorschriften BABW
- Uitvoeringsvoorschriften BABW voetgangersoversteekplaats
- Toepassing bord J22
| Verkeersbesluit | Nee* |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
| *) Voor de voetgangersoversteekplaats zelf is wel een verkeersbesluit noodzakelijk. | |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen bord specifieke uitvoeringsvoorschriften
2. Uitvoeringsvoorschriften BABW voetgangersoversteekplaats
De voetgangersoversteekplaats (zebra), zoals bedoeld in artikel 49.2 van het RVV 1990.
Toepassing
Een zebra wordt slechts toegepast:
Een zebra wordt slechts toegepast:
- op wegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h of 50 km/h en;
- op wegen buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h mits de naderingssnelheid van minimaal 85 procent van de motorvoertuigen lager is dan 50 km/h.
Uitvoering
- Een zebra bestaat uit een dwars op de wegas aangebrachte markering met een breedte van ten minste 4 meter, bestaande uit witte strepen met een breedte en een tussenliggende afstand van 0,4 tot 0,6 meter.
- Bij een zebra wordt, behalve bij verkeerslichten, altijd bord L2 geplaatst.
2. Toepassing bord J22
Het bord J22 met de afbeelding van een voetgangersoversteekplaats wordt uitsluitend geplaatst als vooraanduiding van een slecht waarneembare als zodanig aangegeven en gemarkeerde voetgangersoversteekplaats (zebra), die niet in het verwachtingspatroon van de weggebruiker past.
In de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens is met betrekking tot de toepassing en uitvoering van voetgangersoversteekplaatsen, zoals bedoeld in artikel 49.2 van het RVV 1990, ook uitvoeringsvoorschriften opgenomen (zie ook Verkeerstekens op het wegdek).
Uit het bovenstaande blijkt dat voetgangersoversteekplaatsen (zebra’s) alleen mogen worden toegepast als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Daarnaast dienen alle zebra’s, behalve bij verkeerslichten, te worden voorzien van het informatiebord L2.
Hieruit blijkt dat het waarschuwingsbord J22 alleen een functie heeft als vooraanduiding.
Hieruit blijkt dat het waarschuwingsbord J22 alleen een functie heeft als vooraanduiding.
Geadviseerd wordt om bord J22 alleen te plaatsen indien de oversteekplaats op afstand slecht is waar te nemen of indien de oversteekplaats niet past in het verwachtingspatroon van de weggebruiker.
Zie ook hoofdstuk 10 van CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen 2015’ voor de markering van voetgangersoversteekplaatsen.
Aanverwante borden bij J22
[ link ]
J22
J22f
Terughoudend in het gebruik van een fluorescerende groengele achtergrond wordt aanbevolen.
Borden J25: losliggende stenen
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II Aanbevolen klasse III bij werk in uitvoering |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Dit bord wordt uitsluitend tijdelijk gebruikt.
2. Toepassing bord J25
Het bord J25 heeft altijd betrekking op een wegvak. Het bord wordt dus in veel voorkomende gevallen in combinatie met een onderbord geplaatst met daarop vermeld de afstand (met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen) waarover het bord van kracht is (onderbord OB411).
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in in paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Borden J26: kade of rivieroever
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften
2. Toepassing bord J26
Het bord J26 heeft in het algemeen betrekking op een wegvak. De lengte van het wegvak dient op een onderbord te worden aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Het bord J26 kan worden geplaatst bij nadering van een veerstoep. In dat geval wordt het bord voorzien van een onderbord met het symbool van een veerpont.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in in paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Borden J27: groot wild en J28: vee
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften
2. Toepassing bord J27 en J28
De borden J27 en J28 hebben in het algemeen betrekking op een wegvak. De lengte van het wegvak dient in deze situaties op een onderbord te worden aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Alleen het plaatsen van bord J27 heeft niet of nauwelijks effect op het aantal aanrijdingen met groot wild. Bij voorkeur wordt een afrastering aangebracht waardoor bord J27 achterwege kan blijven. Indien het aanbrengen van een afrastering niet mogelijk is, wordt aanbevolen wildreflectoren of wildspiegels in de berm toe te passen in combinatie met het plaatsen van het bord J27.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Borden J29: tegenliggers
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Plaatsing
- Het bord wordt geplaatst nabij het punt waar twee gescheiden rijbanen overgaan in een rijbaan voor verkeer in twee richtingen.
- Het bord wordt geplaatst aan het begin van een wegvak waar de bestuurder geen tegenliggers verwacht.
2. Toepassing bord J29
Het bord J29 wordt tevens links geplaatst nabij het punt waar twee gescheiden rijbanen overgaan in een rijbaan voor verkeer in twee richtingen.
Als het bord geplaatst wordt aan het begin van een wegvak waar de bestuurder geen tegenliggers verwacht (bijvoorbeeld in situatie met een brede parallelweg) kan het bord van een onderbord worden voorzien met de lengte van wegvak (getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen) (onderbord OB411). Zonodig wordt het bord om de 500 meter herhaald om misvatting te voorkomen.
Bord J29 wordt ook toegepast langs toeritten van vloeiende aansluitingen op enkelbaanswegen (zie afbeelding 33). Het bord wordt hier zowel rechts als links geplaatst op ongeveer 50 meter voor de aansluiting (actiepunt).
[ link ]
Figuur 37 Plaatsing J29 langs toeritten
Bord J30: laagvliegende vliegtuigen
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften
2. Toepassing bord J30
Het bord J30 heeft betrekking op een wegvak. De lengte van het wegvak dient op een onderbord te worden aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Bord J31: zijwind
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften
2. Toepassing bord J31
Het bord J31 heeft betrekking op wegvakken (bijvoorbeeld hooggelegen bruggen). De lengte van het wegvak dient op een onderbord te worden aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Bij voorkeur wordt bord J31 toegepast in combinatie met een windzak. De maatregel is dan veel effectiever.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
Bord J32: verkeerslichten
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Dit bord wordt toegepast in situaties, waar verkeerslichten door bestuurders niet worden verwacht.
Uitvoering
- Op autosnelwegen wordt dit bord uitgevoerd met twee gele knipperlichten.
- Op autowegen buiten de bebouwde kom wordt dit bord uitgevoerd met een geel knipperlicht.
- Bij uitvoering van het bord in verschijnuitvoering zijn gele knipperlichten niet vereist, behalve op de autoweg en de autosnelweg.
Onderborden
- Buiten de bebouwde kom wordt de afstand tot de verkeerslichten op een onderbord vermeld.
Verlichting
- Op autowegen en autosnelwegen is het bord bij duisternis verlicht door een eigen verlichting.
2. Toepassing bord J32
Voor de plaatsing van bord J32 kunnen de volgende afstanden tot aan de verkeerslichten worden gehanteerd, waarbij onderscheid is gemaakt tussen binnen en buiten de bebouwde kom.
Binnen de bebouwde kom:
Indien zich een situatie voordoet waarbij verkeerslichten niet worden verwacht, wordt bord J32 geplaatst op ongeveer 100 à 150 meter voor de verkeerslichten. Deze afstand hoeft niet op een onderbord te worden vermeld.
Indien zich een situatie voordoet waarbij verkeerslichten niet worden verwacht, wordt bord J32 geplaatst op ongeveer 100 à 150 meter voor de verkeerslichten. Deze afstand hoeft niet op een onderbord te worden vermeld.
Buiten de bebouwde kom:
Op autosnelwegen wordt bord J32 op 300 en 600 meter voor de verkeerslichten geplaatst en worden twee alternerende gele knipperlichten boven elkaar aangebracht. Op autowegen wordt het bord alleen op 300 meter voor de verkeerslichten geplaatst en wordt boven het bord een geel knipperlicht aangebracht. Op de overige wegen wordt het bord op ongeveer 150 meter voor de verkeerslichten geplaatst en wordt boven het bord in het algemeen geen geel knipperlicht aangebracht. Buiten de bebouwde kom wordt altijd de afstand tot de verkeerslichten op een onderbord vermeld (onderbord OB401). Opgemerkt wordt dat op afritten van auto(snel)wegen geen gele knipperlichten boven het bord wordt toegepast.
Op autosnelwegen wordt bord J32 op 300 en 600 meter voor de verkeerslichten geplaatst en worden twee alternerende gele knipperlichten boven elkaar aangebracht. Op autowegen wordt het bord alleen op 300 meter voor de verkeerslichten geplaatst en wordt boven het bord een geel knipperlicht aangebracht. Op de overige wegen wordt het bord op ongeveer 150 meter voor de verkeerslichten geplaatst en wordt boven het bord in het algemeen geen geel knipperlicht aangebracht. Buiten de bebouwde kom wordt altijd de afstand tot de verkeerslichten op een onderbord vermeld (onderbord OB401). Opgemerkt wordt dat op afritten van auto(snel)wegen geen gele knipperlichten boven het bord wordt toegepast.
De gehele combinatie (1 of 2 knipperlichten, bord J32 en onderbord) wordt voorzien van een achtergrondschild.
In geval de verkeerslichten buiten werking zijn, mogen eigen verlichting en gele knipperlichten niet branden.
3. Meer informatie
In het geval van het toepassen van een verkeerslantaarn bij selectieve toegang en doseren door een BFA dient bord J32 als voorwaarschuwing te worden geplaatst. Voor meer informatie, zie CROW-publicatie 723 ‘ASVV 2012’, paragraaf 11.2.15 ‘ Selectieve toegang door beweegbaar fysieke afsluiting op wegvak – met fietsvoorziening’ en CROW-publicatie 268 ‘Selectieve toegang en doseren’, paragraaf 4.3.10 ‘Principeschetsen’.
Klik [ link ]
Bord J33: file
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Uitvoering
- Dit bord wordt als regel uitgevoerd in verschijnuitvoering.
- Indien het bord niet is uitgevoerd in verschijnuitvoering, dan wordt op een onderbord aangegeven onder welke omstandigheden filevorming optreedt.
2. Toepassing bord J31
Het bord J33 wordt met name op auto(snel)wegen toegepast in verschijnuitvoering. Vooral bij belangrijke corridors zoals tunnels en bruggen waar filevorming kan optreden worden deze borden geplaatst.
Indien het bord niet in verschijnuitvoering is uitgevoerd dan wordt op het onderbord tevens de lengte van het wegvak aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Borden J34: ongeval en J35: slecht zicht door sneeuw, regen of mist en J36: ijzel of sneeuw
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Deze borden worden uitsluitend tijdelijk toegepast.
2. Toepassing bord J34, J35 en J36
Deze borden worden met name op auto(snel)wegen toegepast in verschijnuitvoering.
Indien als gevolg van vorst slipgevaar kan ontstaan, dan wordt bord J36 gebruikt met een onderbord waarop de tekst ‘slipgevaar’ staat vermeld.
Bord J37: gevaar (de aard van het gevaar is aangegeven op het onderbord)
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Toepassing
- Dit bord wordt alleen toegepast, indien het gevaar niet door een ander bord van bijlage 1 van het RVV 1990 kan worden aangeduid.
Onderbord
- In alle gevallen wordt de aard van het gevaar op een onderbord aangegeven.
2. Toepassing bord J37
Het bord J37 kan toegepast worden in verschijnuitvoering.
Indien het bord betrekking heeft op een wegvak wordt de lengte van het wegvak op een tweede onderbord aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoog wijzende pijlen (onderbord OB411).
Bord J37 kan ook worden gebruikt bij diepe rijsporen. Het bord wordt dan voorzien van een onderbord met de mededeling ‘spoorvorming’. Op autosnelwegen hanteert Rijkswaterstaat de volgende richtlijnen (bij een verkanting van 2,5 procent):
- de rijspoordiepte bedraagt gemiddeld over een lengte van ten minste over 100 meter 18 millimeter of meer;
- de rijspoordiepte bedraagt gemiddeld over een lengte van ten minste 50 meter 23 millimeter of meer.
Vanzelfsprekend dienen zo spoedig mogelijk onderhoudsmaatregelen worden uitgevoerd, waardoor het bord weer verwijderd kan worden. Het is beter de onderhoudsmaatregelen uit te voeren, voordat de norm voor rijspoordiepte voor de plaatsing van bord J37 wordt bereikt.
n situaties waar als gevolg van onvoldoende stroefheid sprake is van een langere remweg, wordt bord J37 geplaatst in combinatie met een onderbord met de tekst ‘langere remweg’. Geadviseerd wordt om over te gaan tot bebording (bord J37) indien de gemiddelde wrijvingscoëfficiënt op een nat wegdek kleiner is dan 0,38.
n situaties waar als gevolg van onvoldoende stroefheid sprake is van een langere remweg, wordt bord J37 geplaatst in combinatie met een onderbord met de tekst ‘langere remweg’. Geadviseerd wordt om over te gaan tot bebording (bord J37) indien de gemiddelde wrijvingscoëfficiënt op een nat wegdek kleiner is dan 0,38.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt of gevaarpunt wordt in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
3. Meer informatie
Bij buissluizen in openbaar vervoerstroken kan ter signalering worden volstaan met bord J37 inclusief wit onderbord. Deze informatie is te vinden in CROW-publicatie 80 ‘Bussluizen’, paragraaf 3.4.1 ‘Bebording en signalering’. Ook kan J37 met onderbord ‘tijdelijke situatie’ gebruikt worden als inleidende bebording bij wegafzettingen ten behoeve van evenementen. Deze informatie is te vinden in CROW-publicatie 265 ‘Verkeersmaatregelen bij evenementen’, paragraaf 4.4 ‘Wegafzetting en fysieke afbakening evenemententerrein’.
Bord J38: verkeersdrempel
| Verkeersbesluit | Nee |
| Zonaal toepasbaar | Nee |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Onderbord
- Indien in een wegvak meerdere drempels voorkomen kan overwogen worden bord J38 eenmaal te plaatsen met een onderbord waarop is aangegeven hoe veel keer een drempel voorkomt.
2. Toepassing bord J38
Het bord J38 kan toegepast worden in verschijnuitvoering.
Het bord heeft betrekking op een punt in het wegvak.
De plaatsing van het bord ten opzichte van het actiepunt wordt in de paragraaf ‘Plaatsing ten opzichte van actiepunt’ behandeld. Indien het waarschuwingsbord op enige afstand voor het actiepunt wordt geplaatst, wordt het bord niet geplaatst op het actiepunt zelf.
3. Meer informatie
Bij nieuw aangelegde snelheidsremmers is het raadzaam om tijdelijk bord J38 toe te passen, om weggebruikers te wijzen op de gewijzigde verkeerssituatie. Deze informatie is te vinden in CROW-publicatie 344 ‘Richtlijn drempels, plateaus en uitritten’, hoofdstuk 4 ‘Richtlijnen voor de toepassing van verkeersdrempels en -plateaus’.
Bord J39: Waarschuwing voor elektrische in-en uitschuifbare paal in de rijbaan (poller) waarmee toegankelijkheid van straten en gebieden kan worden geregeld
| Verkeersbesluit | Ja* |
| Zonaal toepasbaar | Nee** |
| Retroreflectie | Minimaal klasse I volgens Uitvoeringsvoorschriften BABW Aanbevolen minimaal klasse II |
| * Een verkeersbesluit is vereist bij een selectief toegangssysteem (niet bij een doseersysteem). ** Het bord zelf is niet zonaal toepasbaar, de werkingssfeer wel door de beperking van de toegang tot straten en gebieden in combinatie met fysieke maatregelen. | |
1. Uitvoeringsvoorschriften BABW
Geen uitvoeringsvoorschriften
2. Toepassing bord J39
Dit bord wordt uitsluitend toegepast in combinatie met een selectieftoegangs- of doseersysteem. Hiermee kan de toegankelijkheid van straten en gebieden geregeld worden. Meer informatie over de toepassing van deze maatregel, technische aspecten, beheer en ontheffingen is te vinden in CROW-publicatie 268 ’Selectieve toegang en doseren’