Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek wegontwerp buiten de bebouwde kom
Deze tekst is gepubliceerd op 03-05-24

Deelconflicten

Onder normale omstandigheden wikkelt een vierarmig kruispunt twaalf en een T-kruispunt zes verschillende verkeersstromen af. Een deel van deze stromen conflicteren onderling. Verder kunnen ook nog afzonderlijke oversteken voor voetgangers en (brom)fietsers voorkomen of stroken voor het openbaar vervoer. Deze oversteken en extra stroken zijn eveneens voor een deel onderling conflicterend of conflicterend met het autoverkeer. Conflicten die eventueel in een groenfasencombinatie worden geaccepteerd, zijn deelconflicten.
Deelconflicten kunnen in veel gevallen de gemiddelde wachttijd bekorten. Ze zijn echter alleen te overwegen bij:
  • (zeer) geringe intensiteiten op de betreffende conflicterende richtingen;
  • deelconflicten die slechts bestaan uit twee conflicterende richtingen;
  • kleinschalige kruispunten (maximaal twee opstelstroken op de toeleidende wegen).
Deelconflicten kruispunten in gebiedsontsluitingsweg
Regelingen van kruispunten in gebiedsontsluitingswegen wegtype 2x2 zijn altijd conflictvrij. In beginsel is ook op gebiedsontsluitingswegen wegtype 2x1 of 1x2 de regeling conflictvrij. Uit capaciteitsoverwegingen kan in wegtype 2x1 of 1x2 een grootschalig kruispunt noodzakelijk zijn. Als de daardoor ontstane vormgeving sterk afwijkt van de vorm van een voorrangskruispunt zonder verkeersregelinstallatie, zijn deelconflicten niet toegestaan. In het algemeen kan een vierarmig kruispunt in vier en een T-kruispunt in drie groenfasencombinaties conflictvrij worden geregeld. In de praktijk werkt het merendeel van de verkeersregelinstallaties reeds conflictvrij.
Met aansluiting erftoegangsweg
Vooral op laag belaste erftoegangswegen kan het voor de overzichtelijkheid gewenst zijn niet meer dan twee opstelstroken naast de verkeersdruppel toe te passen. De indeling van deze stroken naar rijrichting(en) is sterk afhankelijk van de omvang van de verkeersstromen, de plaatselijke omstandigheden en de gestelde doelen. Het links afslaande verkeer op de erftoegangsweg kan eventueel in een groenfasencombinatie worden afgewikkeld met het tegemoetkomende autoverkeer. Het eventueel wachtende links afslaande verkeer mag het doorgaande verkeer dan niet blokkeren. Het onafhankelijk van elkaar beëindigen van de groenfase van beide richtingen verbetert de verkeersafwikkeling en draagt bij tot de veiligheid. Wel moeten de groenfasen van beide tegenoverliggende richtingen gelijktijdig starten om niet de indruk te wekken dat de regeling er conflictvrij is.
Met parallelle erftoegangsweg
Voor het verkeer op parallelle erftoegangswegen langs de gebiedsontsluitingsweg, gelden in principe dezelfde mogelijkheden als voor (brom)fietsers (zie hierna). Het uit de voorrang nemen van de erftoegangsweg kan het nadeel hebben dat sluipverkeer gaat optreden (doorgaande motorvoertuigen die de verkeersregelinstallatie mijden via erftoegangswegen). Bij het in de regeling opnemen van de erftoegangsweg, ontstaat door het grote aantal te regelen richtingen vaak een gecompliceerde situatie met lange wachttijden. Weggebruikers op de richtingen die de voorrangsweg niet kruisen, ervaren deze lange wachttijden in het algemeen als onredelijk.
Met vrijliggende fiets-/bromfietspaden
Voor fietsers en bromfietsers op vrijliggende fiets-/bromfietspaden is in het algemeen alleen het kruisen met motorvoertuigen geregeld. Alle oversteken van langzaam verkeer zijn conflictvrij geregeld. Leg hiervoor zo nodig ‘opvangfiets-/bromfietspaden’ aan. Wikkel het onderling kruisen van (brom)fietsers volgens de normale gedragsregels af. In bijzondere gevallen kan het echter nodig zijn deze conflicten te regelen. Als de (brom)fietsoversteken over de voorrangsweg en de ondergeschikte weg beide afzonderlijk zijn geregeld, mogen er voor links afslaande (brom)fietsers niet te lange wachttijden ontstaan. Sluit het oversteken van de voorrangsweg en de ondergeschikte weg goed op elkaar aan.
Het in een groenfasencombinatie afwikkelen van rechts afslaande motorvoertuigen vanaf de voorrangsweg met (brom)fietsers en voetgangers op vrijliggende paden parallel aan die voorrangsweg, is soms toelaatbaar. Voor de afwikkeling van dit langzame verkeer zijn drie hoofdprincipes te onderscheiden:
  • Buiten de regeling houden van de oversteek. De oversteek moet dan ten minste 10 meter uitbuigen en uit de voorrang zijn ten opzichte van de te kruisen weg. Een dergelijke oversteek is niet van verkeerslichten voorzien.
  • Regeling in combinatie met rechtsafstroken op de voorrangsweg. Bij rechtsafstroken op de hoofdweg kan het rechts afslaande autoverkeer met de (brom)fietsers conflictvrij zijn tijdens de groenfase van de hoofdrichting. Afhankelijk van de omvang van de afzonderlijke verkeersstromen, kunnen de rechts afslaande autostroom en de (brom)fietsers met fase-overslag in de regeling zijn opgenomen of eventueel meerdere malen tijdens de groenfase van de doorgaande richting worden afgewerkt.
  • Regeling in een afzonderlijke groenfasencombinatie. Als een uitbuiging van het fiets-/bromfietspad of een rechtsafstrook niet kan, is een afzonderlijke groenfasencombinatie voor het (brom)fietsverkeer wel mogelijk.