Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek wegontwerp buiten de bebouwde kom
Deze tekst is gepubliceerd op 02-11-23

Fietsvoorzieningen

Als zowel fietsen als motorvoertuigen van een wegvak gebruikmaken, is een cruciale vraag welke inrichting en maximale/veilige snelheid voor zo’n wegvak het meest passend zijn. Van primair belang zijn de functies van het wegvak voor zowel fietsers als gemotoriseerd verkeer. Als de weg voor het gemotoriseerd verkeer een gebiedsontsluitingsweg is, stelt dat andere eisen aan het wegontwerp dan wanneer het om een erftoegangsweg gaat. Ditzelfde geldt voor de functie van de weg voor het fietsverkeer: aan een wegvak dat onderdeel is van het hoofdfietsnetwerk worden andere eisen gesteld wat betreft de fietsvoorzieningen dan aan een wegvak dat behoort tot de basisfietsstructuur. In de afwegingen rond het ontwerp van een wegvak is dus niet alleen de functie van het wegvak voor het gemotoriseerd verkeer maatgevend. De ontwerper zal daarom altijd moeten nagaan wat in een gegeven situatie, rekening houdend met de feitelijke omstandigheden, voor het fietsverkeer de beste oplossing is.
Uitgangspunten
Algemeen uitgangspunt is dat op wegvakken en kruispunten van een gebiedsontsluitingsweg fietsvoorzieningen vereist zijn. De snelheid en de intensiteit van het gemotoriseerde verkeer zijn de belangrijkste factoren bij de keuze voor de scheiding. Beide factoren beïnvloeden het aantal inhaalbewegingen, terwijl de snelheid van het gemotoriseerde verkeer ook invloed heeft op het gevaar dat een inhaalbeweging veroorzaakt.
Op wegvakken met (uitsluitend) een verblijfsfunctie voor het gemotoriseerd verkeer zijn, vanwege de lage intensiteit van het gemotoriseerde verkeer, in principe geen fietsvoorzieningen nodig; menging is dan mogelijk. Een snelheid van 60 km/h (van het gemotoriseerd verkeer) is vanwege de veiligheid en het comfort niet ideaal voor fietsers. Alleen bij een lage intensiteit van het autoverkeer en een rijsnelheid van het gemotoriseerd verkeer, die overeenkomt met of lager is dan de maximumsnelheid, kan menging plaatsvinden. Dit type wegen zijn aangeduid als erftoegangsweg type 2. Vooral in situaties met veel auto’s, landbouwverkeer of veel fietsers (erftoegangsweg type 1), zijn (gescheiden) fietsvoorzieningen gewenst.
ETW30 buiten de bebouwde kom
Erftoegangswegen kunnen ook buiten de bebouwde kom worden ingericht met een limiet van 30 km/h. De wettelijke eisen hiervoor zijn niet anders dan die voor situaties binnen de bebouwde kom. De toepassingsmogelijkheden zijn wel veel beperkter en liggen met name op het gebied van doodlopende wegen, wegen die alleen zijn opengesteld voor bestemmingsverkeer, wegen in sterk recreatieve gebieden en parallelwegen.

Een aandachtspunt bij wegvakken op erftoegangswegen buiten de bebouwde kom is de aanwezigheid van land- bouwverkeer. Landbouwverkeer heeft in veel gevallen een grote massa en omvang, waardoor de menging met fietsverkeer een risico oplevert voor de verkeersveiligheid, zowel objectief als subjectief. Bij relatief veel landbouwverkeer kan een breder wegprofiel gewenst zijn dan vanuit verkeerskundig oogpunt noodzakelijk is, om daarmee te voldoen aan de hoofdeis veiligheid; een van de vijf hoofdeisen voor fietsvriendelijke infrastructuur (zie paragraaf 7.1.2).
Landbouwverkeer kan zorgen voor vervuiling op de rijbaan doordat er grond vanaf de onverharde landbouwgronden los komt van de banden. Dit verhoogt het risico op eenzijdige ongevallen bij (brom)fietsers. Over het schoonhouden van de wegen moeten duidelijke afspraken zijn gemaakt tussen de wegbeheerder en landbouworganisaties.
Ook het voorkomen van het kapot rijden van de kanten van de verharding is in dat verband een veiligheidsaspect. Bermverharding kan extra breedte geven en toch de rijloper voor het autoverkeer smal houden. De bermverharding moet goed gefundeerd zijn, en (in elk geval voor fietsers) vergevingsgezind zijn. Dat betekent dat de bermverharding goed aansluit op de verharding van de rijbaan. Voorkom daarbij dat weggebruikers de bermverharding opvatten als ‘echte’ verharding; gebruik daarom geen ribbelasfalt. Ook een puinverharding is geen goede keus; als fietsers onverhoopt van de weg af raken, biedt deze weinig kans op een goede afloop. Het meest geschikt voor bermverharding zijn daarom grasbetonstenen, mits deze met de vlakke kant naar boven zijn gelegd.
Keuzeschema
Bij elk wegvak is de vraag aan de orde welke verkeersvoorzieningen nodig zijn om fietsers een veilige en prettige situatie te bieden. Er zijn vier verschillende typen fietsvoorzieningen: fietspaden (verplicht G11 of onverplicht G13), fiets-/bromfietspaden (G12a), fietsstroken en fietsstraten. In tabel 14.11 staat een keuzeschema voor fietsvoorzieningen bij wegvakken buiten de bebouwde kom. Het keuzeschema is een hulpmiddel voor de te maken keuzes per wegvak.
Het keuzeschema in tabel 14.11 is gebaseerd op drie uitgangspunten ().
  • De voor fietsers meest gewenste situatie staat centraal.
  • Voor fietsvriendelijke infrastructuur is niet alleen de specifieke fietsvoorziening van belang, maar de gehele verkeerssituatie. Daarom strekt het schema verder dan de fietsvoorziening op zich.
  • Vaak zijn er in een gegeven situatie, met uiteenlopende kenmerken, verschillende oplossingen mogelijk. Dit gegeven komt tot uitdrukking door grenswaarden die elkaar overlappen.
Tabel 14.11 Keuzeschema fietsvoorzieningen bij wegvakken buiten de bebouwde kom
Wegcategorie
Maximumsnelheid gemotoriseerd verkeer (km/h)
Intensiteit gemotoriseerd verkeer (mvt/etm)
Fietsintensiteiten (f/etm)
Fietsvoorziening
Basisstructuur
Hoofdlandbouwroute aanwezig
Erftoegangsweg
60 (of 30)
≤ 1000
I
fiets
< 500
Gemengd verkeer
Fietspad
of Fiets-/bromfietspad
I
fiets
> 500
Fietsstroken als I
auto
> I
fiets
eventueel fietsstraat als I
auto
< I
fiets
1000 - 3000
I
fiets
< 500
Fietsstroken
I
fiets
> 500
Fietspad of fiets-/bromfietpad als I
auto
> I
fiets
> 3000
niet relevant
Fiets-/bromfietspad
Gebiedsontsluitingsweg 80niet relevantniet relevantFiets-/bromfietspad
Neem altijd de volgende maatregelen wanneer een gebiedsontsluitingsweg een (potentiële) fietsroute is (utilitair of recreatief):
  • de toegang tot de gebiedsontsluitingsweg verbieden door een verkeersbord met een geslotenverklaring (verkeersteken C09 of C15);
  • het aanleggen van een parallelvoorziening voor (brom)fietsers of het omleiden via een min of meer parallelle route.
Bij de laatst genoemde maatregel mag de omrijfactor niet groter zijn dan 1,2. De parallelvoorziening voor (brom)fietsers kan bestaan uit een parallelle erftoegangsweg of een fiets-/bromfietspad (verkeersteken G12a). Of alleen een fiets-/bromfietspad genoeg is, is afhankelijk van de aanwezigheid van overig langzaam gemotoriseerd verkeer.