Invoeging
Situering
Een invoeging sluit toeritten en verbindingswegen op de hoofdrijbaan van de regionale stroomweg aan.
Het invoegen gebeurt alleen aan de rechterzijde van de rijbaan. Wanneer er een rijstrook aan de linker zijde bij komt, gebeurt dit met een samenvoeging (zie paragraaf 15.8.3). Eventueel kan de linker rijstrook na enige afstand worden afgestreept.
De situering en de vormgeving van de invoeging moeten zodanig zijn dat de weggebruiker tijdig een goed beeld krijgt van de plaats en de wijze van invoegen. Daarom ligt de invoeging bij voorkeur langs rechte of nagenoeg rechte wegvakken.
Een invoeging in een krappe boog (een straal kleiner dan 1500 meter) is ongewenst omdat dit het waarnemen van achteropkomend verkeer bemoeilijkt. Via de spiegels kan een weggebruiker onder een hoek van slechts acht centesimale graden achteruit kijken. Verder moet een weggebruiker op de hoofdrijbaan het invoegende verkeer over voldoende afstand kunnen waarnemen.
Globale vormgeving
In figuur 15.55 is een invoeging afgebeeld.
[ link ]
Figuur 15.55 Invoeging (tg α = 2 à 3%)
Tabel 15.16 Afmetingen invoegingen
| Ontwerpsnelheid | tg α | lengte invoegstrook (l 1 ) | lengte wigvormig gedeelte (l 2 ) | totale lengte (l) |
|---|---|---|---|---|
| 80 km/h | 2-3% | 170 m | 70 m | 240 m |
| 100 km/h | 2-3% | 210 m | 85 m | 295 m |
Vormgeving invoegstrook
Een invoegstrook is bedoeld om verkeer dat van een toeleidende rijbaan komt, in de gelegenheid te stellen de snelheid af te stemmen en een hiaat te vinden alvorens de doorgaande rijbaan op te rijden. De lengte van de invoegstrook is hierop afgestemd.
De breedte van de invoegstrook, gemeten tussen de markeringen, bedraagt voor het wigvormige gedeelte 3,00 meter.
Het laatste gedeelte van de toeleidende rijbaan moet een bestuurder niet allen kunnen gebruiken om te accelereren, maar ook om de juiste positie te kiezen ten opzichte van het verkeer op de doorgaande rijbaan. Dit vergemakkelijkt het vinden van een geschikt hiaat in de verkeersstroom op de doorgaande rijbaan voor verkeer op de invoegstrook.
Afwijkingen van de standaardlengte
Ontwerp in principe geen kortere invoegstrook dan de standaardwaarden. Het verkorten van de lengte van de invoegstrook leidt tot:
- een lagere invoegsnelheid voor vrachtauto’s;
- acceptatie van kortere hiaten door invoegend verkeer.
Vormgeving convergentiepunt
Vanaf de toeleidende rijbaan moet de weggebruiker zicht hebben op de doorgaande rijbaan. De invoegstrook wordt daarom voorafgegaan door een rijbaangedeelte langs een puntstuk van voldoende lengte (75 meter) onder een kleine hoek met de hoofdrijbaan. De tangens van die hoek is 2 à 3 procent. Gebleken is dat bij een kleine hoek het invoegende verkeer de snelheid beter aanpast. Bij rechte weggedeelten is de invoegende rijbaan over dit gedeelte ook recht, bij gebogen wegvakken buigt de invoegende rijbaan mee, liefst met dezelfde boogstraal.
Acceleratielengte
Een hoog percentage bestuurders rijdt kort na het einde van het puntstuk de doorgaande rijbaan op. Vaak is de snelheid dan nog niet hoog genoeg (die moet driekwart van de ontwerpsnelheid zijn op 100 meter uit het puntstuk). De toeleidende rijbaan is daarom essentieel als acceleratiestrook. Houd bij lusvormige en stijgende toeleidende rijbanen – zeker in combinatie met elkaar – rekening met een andere (grotere) acceleratielengte.
Controleberekening acceleratielengte
Voor de berekening van de acceleratielengte gelden de volgende uitgangspunten:
- Het begin van de acceleratielengte is het punt waar de eventuele horizontale boog in de toeleidende rijbaan eindigt en de overgangsboog begint.
- Het einde van de acceleratielengte ligt op 100 meter na het einde van het puntstuk bij een parallel aanliggende strook.
De benodigde acceleratielengte (la) is afhankelijk van de volgende factoren:
- de snelheid waarmee een weggebruiker moet invoegen;
- de ontwerpsnelheid aan het begin van de acceleratielengte;
- de wijze van accelereren;
- de acceleratie-eigenschappen van het voertuig;
- de eventuele aanwezigheid van een langshelling.
De benodigde snelheid aan het einde van de acceleratielengte is voor de personenauto gesteld op driekwart van de ontwerpsnelheid van de doorgaande rijbaan (0,75 × vontwerp= 0,75 × 100 km/h = 75 km/h). Bereken de benodigde lengte met de volgende formule:
waarin:
| l a | = | de acceleratielengte in m |
| v o | = | de ontwerpsnelheid van de doorgaande rijbaan in km/h |
| v b | = | de ontwerpsnelheid aan het begin van de acceleratielengte in km/h |
| α | = | de versnelling van het voertuig in m/s |
| g | = | de versnelling van de zwaartekracht in m/s |
| p | = | de langshelling van de weg in procenten, negatief bij daling |
Tabel 15.17 Acceleratielengte l
a
| Snelheid begin acceleratielengte (km/h) | Acceleratielengte l a (m) |
|---|---|
| 0 | 216 |
| 30 | 181 |
| 50 | 120 |
| 80 | 0 |
De toelaatbare snelheid aan het einde van de laatste horizontale boog in de toeleidende rijbaan bepaalt de ontwerpsnelheid aan het begin van de acceleratielengte. Houd als versnelling 1 m/s2 aan. In tabel 15.17 staan de benodigde lengtes bij een vlakke afrit en een ontwerpsnelheid op de hoofdrijbaan van 100 km/h. De acceleratielengte la is ook weergegeven in figuur 15.54.
Bij afwijkende ontwerpsnelheden en bij de aanwezigheid van langshellingen zijn voor het accelereren andere lengtes dan de standaardlengtes nodig. Bepaal deze met de hiervoor vermelde formule. Als een grotere acceleratielengte nodig is dan in de standaardoplossing, verleng dan niet de invoegstrook, maar de afstand tussen het begin van de overgangsboog en het puntstuk. Op deze wijze is de verlenging ook effectief voor verkeer dat meteen na het einde van het puntstuk de hoofdrijbaan oprijdt. Betrek bij de berekening van de acceleratielengte eventueel ook het zware vrachtverkeer (meer dan 5 procent zwaar vrachtverkeer bij een maatgevende uurintensiteit). Dat kan dan maatgevend zijn. Reken voor de berekening van de acceleratielengte voor de zware vrachtauto 185 meter van de invoegstrook tot de acceleratielengte. Bij een vrachtauto kan niet worden gerekend met een eenparige versnelling uit de formule en de grafieken. In paragraaf 13.4.1.2 staat een grafiek met de te hanteren vrachtautoversnelling. Voor de berekening van de acceleratie van vrachtverkeer op hellingen is software beschikbaar.