Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Handboek wegontwerp buiten de bebouwde kom
Deze tekst is gepubliceerd op 26-06-23

Markering

Voor de begrijpelijkheid en de herkenbaarheid van wegen is het essentieel dat tekens op de weg eenduidig zijn. Markering in de lengterichting is samen met andere wegkenmerken een belangrijke informatiebron voor de weggebruiker. Hij ervaart wegen met zowel scheidings- als kantstrepen doorgaans als belangrijk. Hij ervaart wegen met weinig markering in de lengterichting als minder belangrijk. Markeringen geven de indeling van de weg in lengte- en dwarsrichting weer. Ze verduidelijken het wegverloop en de functie van de verschillende ontwerpelementen.
Markering dient diverse doeleinden:
  • Bevorderen van een gewenst rijgedrag door de weggebruiker duidelijk te maken:
      -waar hij kan en mag rijden en waar niet;
      -welke snelheid is toegestaan;
      -waar hij voorrang moet verlenen;
      -waar hij niet stil mag of kan staan;
      -waar hij wel of niet mag parkeren;
      -waar de verkeerssoorten gescheiden worden.
  • Hulpmiddel (referentie) bij de bepaling van de eigen positie op de weg, de positie en de snelheid van de andere weggebruikers en de plaats van obstakels op en naast de rijbaan.
  • Verhogen van het attentieniveau door het accentueren van eventuele discontinuïteiten, verhogen van de herkenbaarheid van de beslissingspunten en het aangeven van de keuzemogelijkheden.
Voor permanente markeringen gelden hoge eisen. Deze eisen hebben betrekking op stroefheid, reflectie, duurzaamheid, droogtijd en verwering. Vanuit verkeersveiligheidsoverwegingen en de werking van rijhulpsystemen (ADAS), is de zichtbaarheid van wegmarkeringen ook onder slechte weersomstandigheden en bij duisternis van groot belang. Voorzie in bijzondere gevallen de markering van profilering (akoestische signalering). Denk daarbij aan geprofileerde kantstrepen (in buitenbogen) ter beperking van enkelvoudige ongevallen. Dergelijke profileringen kunnen wel (extra) geluidsoverlast geven. Markeringen die op de weg zijn aangebracht, mogen niet te dik zijn omdat te hoge markeringen kunnen leiden tot verlies aan stabiliteit bij gemotoriseerde tweewielers.
Markering tijdens werk in uitvoering is niet opgenomen in deze richtlijn. Zie hiervoor de verschillende publicaties over werk in uitvoering ().
Uitvoering
Voor de verkeersveiligheid is de waarneembaarheid van wegmarkeringen ook onder slechte weers- en lichtomstandigheden (regen en duisternis) van groot belang. Daarom hebben markeringen waarvan het oppervlak enkele millimeters boven het wegdekoppervlak uitkomt, zoals thermoplastisch materiaal, de voorkeur. Voorzie in bijzondere gevallen de markering van profilering (akoestische signalering). Bijvoorbeeld:
  • geprofileerde kantstreep (in buitenbogen) ter beperking van enkelvoudige ongevallen;
  • geprofileerde scheidingsstreep ter ondersteuning van het inhaalverbod.
De kleur van de markering in permanente situaties is wit. In tijdelijke situaties (werken in uitvoering) wordt de (tijdelijke) markering veelal in een gele kleur uitgevoerd.
Markeringen leveren voor motorrijders soms problemen op. Motoren (op smalle banden) hebben een relatief beperkt contactoppervlak met het wegdek. Met name bij nat en regenachtig weer is een stroef contactoppervlak belangrijk. Sommige markeringen blijken dan echter erg glad te zijn. Een relatief klein hoogteverschil van 5 millimeter kan bij een motor al problemen met de stabiliteit van het voertuig veroorzaken. Bij wegmarkeringen zijn hoogteverschillen tot 3 millimeter tussen de markering en het asfalt acceptabel. Tot deze hoogte is er nauwelijks invloed op het weggedrag en de stabiliteit van motoren. Aanvullend geldt dat markering bij voorkeur niet in de rijlijn van motoren ligt, omdat anders door ontwijkingsgedrag gevaarlijke situaties kunnen ontstaan.
Zie voor meer informatie CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen’.
Basisvormen
De op of in het wegdek aan te brengen markeringen kunnen tot een aantal basisvormen worden teruggebracht, zie figuur 18.2.
[ link ]

Figuur 18.2 Overzicht basisvormen markering

Figuur 18.3 bevat een algemeen overzicht van de lengtemarkeringen die toegepast kunnen worden.
[ link ]

Figuur 18.3 Overzicht lengtemarkeringen

Breedte lengtemarkeringen
Op nationale en regionale stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom geldt voor de deelstreep een breedte van 0,15 meter. De kantstrepen van een stroomweg zijn 0,20 meter. Bij een regionale stroomweg met een doorgetrokken as-/scheidingsstreep is de breedte van de as-/scheidingsstreep 0,20 meter en bij een ononderbroken as-/scheidingsstreep is deze 0,15 meter. De kant- en scheidingsstrepen van een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom zijn 0,15 meter breed. Bij de erftoegangswegen wegtype 1(buiten de bebouwde kom) zijn de kantstrepen, die de rijloper begrenzen, 0,10 meter breed. Gebruik van speciale wegdekmaterialen kan eventueel leiden tot iets grotere breedten dan de hier vermelde. Smallere strepen mogen echter niet worden aangebracht. In tabel 18.1 zijn de maten overzichtelijk weergegeven. Zie hoofdstuk 14 voorde breedte van de rijstrook en de rijbaan.
Tabel 18.1 Breedte lengtemarkering in relatie tot functie van de weg
CategorieDeelstreepScheidingsstreepKantstreep
Buiten de bebouwde kom
stroomweg
- nationaal0,15 mn.v.t.0,20 m (bij spitsstrook 0,05 m)
- regionaal0,15 mn.v.t. (bestaande situaties uitfaseren)0,20 m
gebiedsontsluitingsweg0,15 m0,15 m0,15 m
erftoegangsweg
- wegtype 1n.v.t.n.v.t.0,10 m
- wegtype 2n.v.t.n.v.t.n.v.t.
fietspadenn.v.t.0,10 m0,10 m (0,05 alleen bij een ononderbroken streep)
In figuur 18.4 staan de dwarsprofielen voor de situatie buiten de bebouwde kom.
[ link ]

Figuur 18.4 Scheidings- en kantstrepen in de standaarddwarsprofielen buiten de bebouwde kom

Verkeerstekens
Verschillende markeringsvormen hebben een wettelijke status en zijn dus een verkeersteken. Voor het aanbrengen van deze verkeerstekens is een verkeersbesluit nodig. Deze markeringen zijn:
  • Busbaan of busstrook: een respectievelijk met ononderbroken of onderbroken lengtemarkering gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Alleen een lijnbus mag de busbaan of busstrook gebruiken. Bestuurders mogen niet stilstaan op de rijbaan langs een busstrook.
  • Fietsstrook: een met ononderbroken of onderbroken lengtemarkering gedeelte van de rijbaan waarop de officiële fietssymbolen zijn aangebracht. Bestuurders mogen niet stilstaan op de fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook. Op fietsstroken met een ononderbroken lengtemarkering is het tevens niet toegestaan om op de fietsstrook uit te wijken.
  • Haaientanden: voorrangsdriehoeken op het wegdek. Bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.
  • Verdrijvingsvlak: gedeelte van de rijbaan waarop sergeantstrepen zijn aangebracht. Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken niet gebruiken.
  • Ononderbroken lengtemarkering:
      -Tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de ononderbroken lengtemarkering niet overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechterzijde van de ononderbroken lengtemarkering een onderbroken lengtemarkering is aangebracht.
      -Tussen rijstroken met verkeer in een richting: bestuurders mogen de ononderbroken lentemarkering niet overschrijden, tenzij tussen de bestuurder en de ononderbroken lengtemarkering een onderbroken streep is aangebracht.
  • Stopstreep. Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen als stoppen op grond van het RVV 1990 verplicht is.
  • Gele markering. Bestuurders mogen niet stilstaan langs een gele doorgetrokken markering en niet parkeren langs een gele onderbroken markering.