Heeft u vragen? U kunt ons ook bellen op tel: 0318-695315

Ontwerpwijzer fietsverkeer
Deze tekst is gepubliceerd op 10-05-16

Fietspaden en fiets-/bromfietspaden

V5, 6, 16, 17
Bij gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom zijn altijd vrijliggende fietsvoorzieningen noodzakelijk, in de vorm van fiets­/bromfietspaden. Het feit dat bromfietsers van het pad gebruikmaken, heeft consequenties voor de breedte. Op vrijliggende paden langs erftoegangswegen (60 km/h) worden doorgaans geen bromfietsers toegestaan; zij moeten dan op de rijbaan rijden.
Buiten de bebouwde kom is de openbare verlichting langs het fietspad vaak ontoereikend. In dergelijke gevallen is een geleidende markering noodzakelijk. Bij voorkeur wordt aan beide zijden van het fietspad een kantmarkering toegepast om bermongevallen te voorkomen. In het geval van een rustig en voldoende breed tweerichtingenfietspad kan met een asmarkering worden volstaan.
Een alternatief voor een fiets­/bromfietspad vormt de parallelweg (zie 5.5.6). Deze heeft voor fietsers als nadeel dat hierop ook motorvoertuigen zijn toegestaan, zowel rijdend als stilstaand (parkeren). Dat is ongunstig voor de veiligheid en het comfort van de fietsers. Op gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom zijn parallelwegen vaak ook bedoeld voor landbouwvoertuigen en vrachtverkeer. Waar dit het geval is, is het wenselijk om langs de parallelweg een vrijliggend fietspad te realiseren.
Tussenberm

V18
Voor fietsers is het prettig als zij op enige afstand van het autoverkeer kunnen fietsen. De afstand tussen fietspad en hoofdrijbaan moet echter niet zo groot worden dat het fietspad buiten de invloedssfeer van de hoofdrijbaan komt; in verband met de sociale controle is het gewenst dat automobilisten zicht houden op het fietspad. De ruimte tussen het fietspad en de rijbaan wordt aangeduid als tussenberm. Deze heeft een ‘opvangfunctie’ voor voertuigen die van de hoofdrijbaan raken en voor (brom)fietsers die van het fietspad of fiets­/bromfietspad raken. Daarnaast heeft de tussenberm een ‘bufferfunctie’ voor het voorkomen van ongevallen tussen fietsers en gemotoriseerd verkeer.
Tabel 5­-4 beveelt een aantal breedtes aan voor een goed functionerende tussenberm. Deze breedtes helpen bij tweerichtingenfietspaden eveneens om verblinding te voorkomen van fietsers aan de linkerkant van de weg door de koplampen van tegemoet rijdende motorvoertuigen. Als niet aan de eisen van de tussenbermbreedte kan worden voldaan, is een afschermingsconstructie gewenst.
Tabel 5-4. Aanbevolen breedtes voor tussenbermen (tussen rijbaan en fietspad) buiten de bebouwde kom
Breedte tussenberm (m)
WegcategorieAanbevolen Minimaal
Stroomweg 10,00 8,00
Gebiedsontsluitingsweg 6,00 4,50
Erftoegangsweg> 1,50 1,50
Tweerichtingsverkeer
V5
Op fiets-­/bromfietspaden die in twee richtingen worden bereden, vormen elkaar tegemoetkomende fietsers en snor- en bromfietsers een risicovol potentieel conflict. De snelheden en de toenemende drukte op dit soort fietspaden vergroten het probleem. Om aan alle weg­gebruikers duidelijk te maken dat verkeer uit de tegengestelde richting moet worden verwacht en om de kans op frontale aanrijdingen te reduceren, wordt voor tweerichtingenpaden altijd asmarkering aanbevolen. Het is nog beter als er een smalle, vergevingsgezinde middenberm aanwezig is tussen de twee fietsrichtingen.
Uiteraard moet het pad voldoende breed zijn en moeten (brom­/snor­)fietsers indien nodig veilig kunnen uitwijken naar de berm. Vergevingsgezinde bermen zijn essentieel. Daarnaast is aandacht nodig voor zijwegen en andere aansluitingen. Het is zaak om op al deze punten expliciet aan alle weggebruikers duidelijk te maken dat er (brom­/snor­)fietsverkeer uit twee richtingen kan worden verwacht (zie ook hoofdstuk 6 ‘Kruispunten’).