Afschermingsvoorzieningen op kunstwerken
Het Bouwbesluit 2012 [O42] stelt eisen aan de afscherming van hoogteverschillen vanwege valgevaar. In artikel 2.3 ‘Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan’ zijn eisen omschreven waaraan nieuwe en bestaande vloeren moeten voldoen.
De belangrijkste punten uit artikel 2.18 ‘Hoogte’ (niet uitputtend):
- Een vloerafscheiding heeft een hoogte van ten minste 1 meter, gemeten vanaf de vloer.
- In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 meter boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding een hoogte van ten minste 1,2 meter, gemeten vanaf de vloer.
- In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 meter, gemeten vanaf de vloer.
- In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 meter, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 meter is.
- Een afscheiding heeft een hoogte van ten minste 0,85 meter, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.
- Per 1 juli 2021 is een nieuwe eis in werking getreden voor de hoogte van leuningen op fietsbruggen. Deze eis houdt in dat bij nieuwe bouwwerken waar fietsers overheen gaan, zoals bruggen of viaducten, de leuning ten minste 1,30 m moet zijn. Hierdoor worden fietsers beter beschermd. Deze eis geldt ook voor bestaande bouwwerken op het moment dat de leuning wordt verbouwd.
Als gevolg van bovenstaande eisen dient op de meeste kunstwerken een leuning te worden geplaatst. De beoogde functie van de leuning bepaalt de ontwerpbelasting of het kerend vermogen. Voor een leuning die uitsluitend voetgangers moet beschermen tegen valgevaar, staan de nodige gegevens in NEN-EN 1991 (Eurocode 1) [O44] en NEN-EN 1317-6 [O8].
Heeft de leuning ook een kerende functie voor motorvoertuigen (zie paragraaf 10.1), dan is naast het Bouwbesluit 2012 [O42] ook sprake van een geleideconstructie conform NEN-EN 1317-2 en gelden tevens dezelfde eisen als voor een geleiderailconstructie of geleidebarrier, zoals beschreven in paragraaf 9.2. Bijvoorbeeld voor de opbouw stroomopwaarts van de gevarenzone.
Veel bestaande kerende leuningen op kunstwerken zijn uitsluitend geplaatst op het kunstwerk zonder dat de constructie is doorgezet in de aardebaan. Deze inleiding is wel noodzakelijk voor het functioneren van de kerende leuning op het kunstwerk. De functie van een inleiding van een kerende leuning betreft:
- het voorkomen van het achterlangs rijden van voertuigen waardoor deze op de onderliggende rijbaan terecht komen. Hierdoor kunnen zowel risico’s inzittenden als risico’s derden optreden;
- het voorkomen van een aanrijding op de kop van de leuning;
- het garanderen van het kerende vermogen van de leuning op het kunstwerk. Dit is met name het geval bij kerende leuningen met een kerend vermogen hoger dan N1.
- De inleiding van de voertuigkering geplaatst in aardebaan dient aan hetzelfde kerend vermogen te voldoen als het kerend vermogen op het kunstwerk.
- De constructie dient conform de maat L1 (8 meter) parallel te worden doorgezet langs de rijbaan.
- De inleiding van de voertuigkering bedraagt afhankelijk van de ontwerpsnelheid minimaal 24m (ETW), 36m (GOW) of 48m (RSW). De overgangsconstructie bevindt zich in deze maat. De standaard berekening voor de lengte van een inleiding conform paragraaf 9.2.1 is hierbij dus voor afschermingsvoorzieningen op kunstwerken niet van toepassing.
- Indien de inleidende voertuigkering in de aardebaan ten behoeve van de voertuigkering op het kunstwerk ook een gevarenzone of obstakel dient af te schermen, kunnen langere lengtes van de inleidingen noodzakelijk zijn. Afscherming van de gevarenzones of obstakels dient apart te worden beschouwd.
- Indien op de toeleidende weg een lager kerend vermogen noodzakelijk is, dan dient het kerend vermogen uit Tabel 10-2 over de minimale lengte van de inleiding aanwezig te zijn.
- De overgang tussen de voertuigkering geplaatst in de aardebaan en de voertuigkering geplaatst op het kunstwerk dient te voldoen aan paragraaf 9.2.2.
- De voertuigkering geplaatst in de aardebaan wordt aangevangen en beëindigd met een terminal. De prestatieklasse van de terminal wordt gebaseerd op het wegtype (ETW, GOW, RSW). Indien een terminal aansluit op een voertuigkering met H2 kerend vermogen, dient tevens de ankerkracht 250kN te worden aangetoond.
- Bovenstaande eisen gelden voor de inleiding van de kerende leuning aan beide zijden van de rijbaan op wegen zonder fysieke rijbaanscheiding. Indien er wel een fysieke rijbaanscheiding aanwezig is, dan gelden bovenstaande eisen uitsluitend voor de geleideconstructie in de zijberm.
- Alle elementen in de overgangsconstructie dienen door te lopen en een koppeling te hebben met het aansluitende systeem. Er mogen geen losse uitstekende onderdelen zijn die een gevaar kunnen vormen bij een aanrijding.
Vaak worden aan de constructie van een leuning om esthetische redenen bijzondere eisen gesteld. Hier is geen bezwaar tegen, zolang aan de gestelde eisen uit de normen is voldaan.
Heeft de leuning ook een kerende functie voor motorvoertuigen, dan is wel bijzondere aandacht nodig voor de stijlen van de leuning. Bij aanrijding van de leuning mogen door de stijlen geen extra grote voertuigvertragingen ontstaan. Dit moet worden aangetoond aan de hand van botsproeven conform NEN-EN 1317-2 [O4].
Heeft de leuning ook een kerende functie voor motorvoertuigen, dan is wel bijzondere aandacht nodig voor de stijlen van de leuning. Bij aanrijding van de leuning mogen door de stijlen geen extra grote voertuigvertragingen ontstaan. Dit moet worden aangetoond aan de hand van botsproeven conform NEN-EN 1317-2 [O4].
Aanvullend op het Bouwbesluit staan er in de voorschriften NPR 5191:2023[O41] detailleringen over de leuningregels op een geleiderailconstructie. Omdat deze typen geleiderailconstructies in Nederland standaard worden toegepast en zijn geaccepteerd, is deze nationale praktijkrichtlijn van belang.
Tot slot nog een aandachtspunt voor accessoires als leuningen aan geleideconstructies: leuningen op voertuigkeringen mogen de werking niet belemmeren. Extra voorzieningen die bijdragen aan de werking van de totale constructie, moeten als één systeem conform NEN-EN 1317-2 [O4] worden getest.